Altum silentium

Gedachten trokken zich langzaam terug uit haar veelal overbevolkte geest. Ze keek om zich heen en liet de weinige indrukken comfortabel en in een zeldzaam langzaam tempo landen. Het was alsof ze er meer betekenis door kregen, en haar gemoed voorzagen van een rust en verwondering die lange tijd onvindbaar waren geweest.
De natuur is vele malen mooier dan mensen zijn, dacht ze terwijl haar blik over het gras, de helderblauwe lucht, vlinders en prachtige oude eikenbomen gleed. De natuur is kalm, vredig en toch ook meedogenloos, evenwichtig, en voorzien van een eenvoud die ongrijpbaar is voor de gecompliceerde menselijke geest. Heel soms is die eenvoud voelbaar, een flits van een seconde. Tot de geest ernaar grijpt en de ervaring vervliegt.
Maar hoe kan ik de natuur boven de mens stellen, en daarmee dus ook boven mezelf? Als ik geen mens was, zou ik de natuur helemaal niet op deze manier kunnen kennen en waarderen. Er zou geen menselijke ervaring zijn, geen mening. Slechts aanwezigheid. Onopgemerkt.¬†Iets zou ‘zijn’ of ‘niet zijn’. Niet geliefd of gehaat, bewonderd of gemist… Het zou ongezien bloeien en verwelken, leven en sterven. Het zou bestaan, maar nooit erkend worden en daardoor een illusoir leven leiden. Een schaduwbestaan, dat slechts door herkenning de mogelijkheid had te transformeren.
Een Boomblauwtje fladderde voorbij en kwam tussen grote bladeren tot rust. Het was een nauwelijks waarneembare aanraking, maar de waarheid spatte uiteen en de betekenis vervloog: om samen met de vlinder op te gaan in een onbestemd geheel. Slechts de stilte bleef achter. Altum silentium. Diepe stilte, en niets meer.

Verder Bericht

Vorige Bericht

© 2018

Thema door Anders Norén

Visit Us On Linkedin