Daar, waar wonderen bestaan

In voor mij onbegrijpelijke woorden sprak hij de menigte toe en bijna vergat ik dat ik een buitenstaander was; slechts hier voor een moment dat spoedig voorbij zou zijn. De mensen om mij heen brachten op deze plek hun leven door en gaven hun leven, voor het verleden en de toekomst van het dorp. Het waren stuk voor stuk bijzondere mensen, met een geheel eigen verhaal. Indrukwekkende verhalen, die zij zonder enig spoor van terughoudendheid met mij deelden.
Hier was ik geen vreemdeling, geen indringer. Toch voelde ik me nogal verloren, juist nu ik meer dan ooit besefte hoe weinig de mensen in mijn wereld werkelijk met elkaar deelden. De dorpelingen die ik in korte tijd had leren kennen waren trotse mensen en wat zij met elkaar deelden ging de zichtbare realiteit ver voorbij. Het voorzag de ogenschijnlijk kleurloze werkelijkheid van een schoonheid die voelbaar en overweldigend was.
De man stond als een machtige boom op de heuvel, enkele meters bij mij vandaan. Zowel zijn verschijning als de woorden die hij uitsprak waren indrukwekkend. Het maakte heel wat los in de dorpelingen, die hem geen seconde uit het oog verloren. Al begreep ik niets van wat hij zei, ik wist dat het van belang was. Zijn woorden waren meer dan lettergrepen, meer dan klanken. Zijn woorden vormden samen een lied, een muziekstuk dat vele harten raakte. Ik bestudeerde zijn baard, die zijn toch al imponerende uiterlijk nog eens extra kracht bijzette.
‘Nieuweling,’ klonk het plots naast me. ‘Psst, nieuweling!’
Ik keek op. Een meisje met extreem blonde lokken wurmde zich tussen twee forse mannen door en keek me met een grote glimlach aan.
‘Ahana, is het niet?’
Ik knikte en ze schudde mijn hand.
‘Izett, aangenaam. Ik heb veel over je gehoord.’
‘Goede dingen, hoop ik?’
Ze grijnsde en we zwegen, keken beide naar de man met de baard.
‘Hij heeft het over de heuvels, Lyam. De heuvels waaruit we ter wereld kwamen,’ zei ze.
‘Wie is hij?’
‘Lyam.’
Het meisje grijnsde haalde toen haar schouders op.
‘Hij spreekt en het dorp luistert,’ zei ze. ‘Zijn komst bracht rust en wijsheid. Wie hij is en waar hij vandaan komt is niet van belang.’
Even sloot ze haar ogen en herhaalde enkele woorden die Lyam zorgvuldig uitsprak. De woorden kregen meer en meer kracht, met iedere persoon die ze uitsprak. Zo dansten zijn woorden door de menigte. Rond en rond en rond.
‘Ik vertrek spoedig,’ zei ik toen de dans vervaagde.  ‘Ik zal het dorp erg missen. Ik zal jullie missen…’
‘En wij jou, Ahana. En wij jou.’
Ongelovig keek ik op, maar ik kon geen spoortje sarcasme in haar donkere ogen ontdekken. Toch merkte ze blijkbaar dat ik twijfelde aan haar woorden.
‘Jij werd hier gebracht, dat is een wonder,’ zei ze. ‘Het is iets om bij stil te staan, zoals ons wordt geleerd stil te staan bij gebeurtenissen die een ander wellicht zou beschouwen als toeval. Jij leert van ons, wij leren van jou. Het is een wonder, nieuweling.’