Dans van duisternis (deel 3)

(allegro)
Plots klinkt er een schreeuw. Het penetrante geluid vult de kamer en reikt tot ver voorbij de muren die gevoelloos op mij neerkijken. De duivel zakt ineen. Achter hem staat Cahir. Een stiletto in zijn hand. Hij laat het vallen en haast zich naar me toe.
‘Het komt goed,’ fluistert hij, terwijl hij mijn wang streelt.
‘Het komt goed.’
Bevend wijs ik naar de duivel, die beweegt en onaangedaan opkijkt. Hij bloedt, maar negeert zijn verwonding.
‘Het is tijd, Bronagh,’ fluistert hij zonder enige dynamiek in zijn stem.
Ik speur de vloer af. Het mes is verdwenen. Satan herrijst en werpt zich op Cahir. Vliegensvlug baant het mes zich een weg door zijn keel. Vol afgrijzen kijk ik toe, zie ik hoe het leven zich uit zijn lichaam terugtrekt. Direct dringt het tot me door: ik ben alleen. Alleen met de duivel. Zonder nadenken sta ik op en ren ik weg, door de kamer, op zoek naar een deur. Vrijheid, ergens buiten deze levenloze muren. Ik ruik het. Ik voel het. Ik kan het nog niet zien, maar ik weet dat het vlakbij is.
Nog even kijk ik om en wordt bevestigd wat ik al aanvoelde. De hel is vlakbij. Ik haast me weg en passeer vele deuren. Il Prete Rosso vergezelt me, houdt me op de been. Sneller en sneller ren ik, passeer ik deuren, en verlaat ik het huis. Ik laat het achter me en vlieg de bossen in, al lijken mijn benen me niet lang meer te kunnen dragen.
In mijn haast val ik. Natte aarde plakt aan mijn handen. Ik sta op. Achter mij klinkt het gekraak van bladeren op de grond. Voetstappen, zacht maar aanwezig. Ik zie geen hand voor ogen. Wankelend zigzag ik door het bos. Nadenken kan ik niet. Op gevoel ren ik zo hard als ik rennen kan, tot een grote tak mij abrupt tot stilstand brengt. Een brandend gevoel op mijn voorhoofd. Druppeltjes op mijn wang. Warme druppeltjes. Bloed. Mijn bloed. Gejaagd kijk ik om me heen, klim overeind en ren verder. De voetstappen komen dichterbij. Ik voel me misselijk worden. Nog een stap. Nog een stap. Mijn hart bonst als een bezetene. Dan draai ik me om. Verward. Verblind. Doodsbang. Klaar om het gevecht aan te gaan.‘Wat wil je!’ roep ik met onvaste stem.
Ik kijk om me heen, alert op elke beweging.
‘Kom dan! Lafaard!’
De schaduw komt achter een boom vandaan. Ik houd mijn adem in. Wankel achteruit. Ik knijp mijn ogen samen, in een poging iets te zien. Als aan de grond genageld blijf ik staan. Een klein meisje kijkt me aan.
‘Ik ben verdwaald,’ fluistert ze.
Ontzet kijk ik in haar bange ogen. Minutenlang kijk ik haar aan.
‘Ik ook…’ fluister ik uiteindelijk. ‘Ik ook.’