De boerderij en de dansende meubels

In een boerderijtje op een prachtige heuvel, ergens in een heel ver land, was iets uiterst eigenaardigs aan de hand. De meubels kwamen daar soms plotsklaps tot leven, dan praatten ze en dansten ze, soms lang en soms heel even. De oude dame die daar woonde, daar in die oude boerderij, die had helemaal niets door en er was niemand die iets zei! Soms kreeg de dame namelijk bezoek, maar iedereen hield zijn mond. Al die kwebbende meubels, en de oude dame die er niets van verstond! Drukte, dansjes en gelach: het was een vreemd gezicht. De oude dame hoorde helemaal niets, deed met gemak haar ogen dicht. Haar middagdutje om drie uur vergat de dame geen moment, maar gut… al die herrie, dat was toch ongekend!
‘Stoeltje, pssst, stoeltje lief, kom even kletsen met mij,’ zei Wanda de wandkast, en ze lachte er vrolijk bij.
‘Nee, mevrouw Wanda, dat gaat zomaar niet. Ik kwebbel al met Karel het kleed. Hij ligt hier eenzaam op de vloer. O, wat een leed!’
‘Dat is niet waar,’ zei het kleed zacht. ‘Ik heb het prima naar mijn zin.’
‘Dan praat ik wel even met Wanda, want dat is ook een goede vriendin.’
Stanley het stoeltje hobbelde naar de kast, die tegen de grijze muur stond. De kast keek echter zo verbaasd. Het stoeltje hield pardoes zijn mond.
‘Waar spraken jullie over,’ vroeg de kast nieuwsgierig. ‘Roddelden jullie over mij?’
‘Nee, dat zouden we nooit durven, want jij bent er altijd als de kippen bij!’
Wanda de wandkast lachte vrolijk. Zij vond het allemaal wel best. Kwebbelen met het stoeltje, kwebbelen met de rest. Want de kachel, die kon er ook wat van, maar de kachel was wat raar. Hij praatte met een heel lage stem en hij stond daar maar.
‘Kachel, kachel, kom je ook? Wij praten en dat is fijn. Laten we met z’n allen een dansje doen, dan mag jij de eerste zijn.’
‘De eerste die een dansje doet? O, nee, mijn niet gezien. Vraag het aan het Sonja het schilderij, zij wil wel misschien.’
Het schilderij wiebelde vrolijk en sprong pardoes van de wand.
‘Ik wil graag een dansje doen. Ga allemaal aan de kant!’
Ze wiebelde vrolijk heen en weer en danste met veel gemak. Wanda de wandkast danste mee, zo langs de afvalbak. Arie de afvalbak vond dat wel wat, want op de wandkast was hij stiekem verliefd.
‘O, Wanda, mag ik meedoen? Mag ik meedoen, alsjeblieft?’
‘Arie, natuurlijk, dans gerust mee. Wij gaan heus wel onze gang.’
De afvalbak danste vrolijk mee, al was hij een beetje bang. Graag danste hij zo mooi, als de kandelaar dansen kon. Maar ja, dat kon hij nu eenmaal niet. Dat was niets nieuws onder de zon. Hij deed in elk geval zijn best, en is dat niet waar het om gaat? Met veel plezier danste hij, en Wanda de wandkast wist zich geen raad. Zij vond Arie o, zo leuk. Hij danste zo apart. En al zou hij het nooit weten, hij veroverde haar hart.
Allen dansten ze samen: de wandkast, de afvalbak, het stoeltje en het schilderij. En de kachel? Nee, die danste niet. Die stond er maar een beetje bij. Toch hadden ze de grootste lol, en de oude dame op de boerderij? Die wist na jaren nog steeds van niets, en er was niemand die iets zei! Die gekke meubels deden niemand kwaad, ze mochten gewoon hun gang gaan. Het was een kleurrijk plekje, op de heuvel, hier ver vandaan.