De gehangene

De zware voordeur jammerde hevig toen ik het huis binnenging en de kleine man die mij binnenliet wierp me slechts een koel knikje toe. De weinige haren op zijn hoofd waren strak naar achteren gekamd, wat zijn toch al norse uitstraling niet ten goede kwam. Ongeduldig nam hij mijn jas aan en hing die aan de kapstok, een gevaarte dat meer uit liefde voor sinistere versiering dan uit noodzaak aanwezig leek te zijn.
Ik verwijderde een denkbeeldig pluisje van mijn stropdas en volgde de man die ik ter plaatse omdoopte tot le petit prince. Vanwege zijn lengte, want verdere overeenkomsten tussen de man en het fictieve prinsje waren overduidelijk afwezig. Grote ramen toonden het door noodweer ontsierde natuurschoon. Geen enkel teken van leven. Niets dan groen en grijs en tranen. De man ging me voor de trap op: een statige trap die ons op aangename wijze naar boven leidde. Daar aangekomen wees hij naar een luxe fauteuil, die mij in de verder lege ruimte nogal verdwaald aandeed.
‘Meneer Delacroix komt zo bij u. Neemt u plaats.’
Hij draaide zich om en verdween de trap af. Gedachten namen mij mee op reis, maar slechts één gedachte keerde steeds opnieuw terug: waar in die verrekte tas bevindt zich toch dat pakje sigaretten? Toen ik mij net opmaakte voor een grondige inspectie, echode er een stem door de gang. Odil Delacroix. Een forse man met lege ogen, golvend grijs haar en een perfect onderhouden sikje. Hij stond in de deuropening. Ik kwam haastig overeind, vergat bijna mijn tas, en schudde hem de hand. Hij ging me voor de kamer in, een riante ruimte met indrukwekkende ramen en boekenkasten. Een tapijt versierde de houten vloer en een antieke gaskachel voorzag de kamer van een welkome warmte. Op tafel stond een schaakspel.
‘Gaat u zitten, meneer Saillart.’
‘Theon.’
Hij knikte, opende een kistje en haalde daar een sigaar uit.
‘Vergezel mij, Theon.’
‘Ik houd het bij Gauloises,’ zei ik. ‘Als ik ze kan vinden… Vergeeft u mij.’
‘Uiteraard.’
Ik grabbelde in mijn tas, terwijl hij achterover leunde en rookpluimen door de kamer blies. De deur ging open. Le petit prince zette twee glaasjes op tafel en verliet de kamer nagenoeg geluidloos. Een beeld van de kleine man als Casper het spookje doemde plots voor mijn geestesoog op. Ik kon mijn lachen ternauwernood onderdrukken.
‘Geniet ervan, Saillart, deze schoonheid is vijfentwintig jaar oud.’
Hij sloot zijn ogen en bracht het glaasje tot vlak onder zijn neus. Ik deed hetzelfde. Een intens rokerige geur kwam mij tegemoet.
‘De mensen kijken tegen mij op, Theon,’ begon Delacroix. ‘Geloof het of niet, maar het is een gif dat zich ongezien in vlees en botten dringt en alles aantast waarmee het in aanraking komt. Mijn beleid, mijn plannen… Het was allemaal uitstekend, in theorie.’
Hij schudde zijn hoofd.
‘Rijkdom, macht, meer en beter: het is alles waarvoor ik goed ben, maar het is niet langer genoeg. J’ai fini… Deze wereld, deze grauwe en uitzichtloze werkelijkheid, is nauwelijks de moeite van het leven waard…’
M-mais non!’ stamelde ik. ‘Hoe kunt u dat nu zeggen?’
‘Het is waar, u weet dat net zo goed als ik. De realiteit waaraan ik heb bijgedragen is een sombere werkelijkheid. Iedereen wil meer en beter, macht en rijkdom. C’est triste…
‘Maar de mens heeft hersenen en vrije wil. Ieder denkt voor zich.’
‘Nee, Theon, dat is een illusie. Dat vertellen we onszelf, omdat we anders niet langer zouden slapen. De mens léért te denken. Hij leert dit van een ander, van iemand die het eveneens leerde van een ander. Onze gedachten behoren ons niet toe, ze zijn geplant en gegroeid in giftige grond. Ze zijn het product van onwetendheid en brengen niets voort dan onwetendheid, mais… c‘est la vie.
Hij sloot zijn ogen een moment en keek toen op. ‘Ik ben de gehangene, Theon, de zwakste schakel. Ik heb niets ten goede kunnen veranderen, maar u bent anders. U staat midden in de wereld, u hebt contact met de gewone mens. U kent de werkelijkheid waarin de mensen leven. U zult doen wat nodig is, daar ben ik van overtuigd.’
Delacroix stond op. ‘Dank u voor uw tijd, meneer Saillart.’
‘Maar, meneer.’
‘Gaat u nu, alstublieft. U hoort spoedig van mij.’
‘Ik stel het op prijs dat u mij wilde ontvangen,’ kon ik slechts uitbrengen.
Hij wuifde mijn woorden weg en glimlachte een lach die mij niets dan pijn toonde. Ik verliet de kamer. De overweldigende leegte dwong me de trap af, waar le petit prince me tegemoet kwam. Mijn jas hing over zijn rechtarm. Verloren. Levenloos. Hij wierp me een knikje toe en liep voor me uit de hal door, met grote passen naar de voordeur. De zware deur viel kreunend in het slot. Ik haastte me naar mijn auto, die op het erf van Odil Delacroix meer dan ooit uit de toon viel.
Het nieuws bereikte me om vijf over half drie de volgende dag. Delacroix had zich van het leven beroofd. ‘Geheel onverwacht’, zeiden de kranten. Ik wist wel beter. Misschien had hij ook wel gelijk in wat hij zei: “Deze wereld, deze grauwe en uitzichtloze werkelijkheid, is nauwelijks de moeite van het leven waard…” Of misschien was dat slechts zijn realiteit.

Lees ook: