De violist

Hij zat op een bankje op het marktplein. Gesloten ogen, een hoekige neus, een warrige bos haar, en een viool tussen zijn schouder en baard. Lome, bijna hypnotiserende klanken ontsnapten en zweefden door de nietsvermoedende menigte. Een glimlach kroop op mijn gezicht en de melodie nam me mee naar een plek die in niets op de chaotische werkelijkheid leek. Het was geen plek op aarde. Het was geen hemel. Het was een paradijselijke plaats die ertussenin lag. Een plek waar ik ophield te bestaan en deel werd van de melodie die mij in bezit nam en verslond.
Stilte riep mij hardhandig terug naar het plein. Nieuwsgierige ogen, een ontwapenende lach, een slecht onderhouden gebit, en een even belabberd onderhouden maar nog altijd indrukwekkende Stradivarius. Ik schudde mijn hoofd en zuchtte.
‘Dat was prachtig… Prachtig!’
‘Merci madame.’
Hij stond op en maakte een diepe buiging. Ik kon mijn lachen niet onderdrukken en ging op het bankje zitten. De man grinnikte geamuseerd en wees naar de mensen die als een ijverige mierenkolonie over het marktplein krioelden.
‘Ze hebben geen tijd.’
‘Nee…’ zei ik, nauwelijks verstaanbaar. ‘Erg, eigenlijk…’
Hij haalde zijn schouders op en nam de viool opnieuw in zijn armen. De melodie kleurde het grauwe plein, voorzag het van leven. En liefde.
‘Mozart…’ fluisterde ik.
Hij knikte en hief zijn strijkstok theatraal op: ‘Molto allegro!’
Opzwepende klanken dansten rond en rond, zweefden om mij heen en door mij heen. Niet in staat mij te verroeren, bekeek ik de eigenaardige violist die met gesloten ogen voor mij stond: zichtbaar bezeten door het snaarinstrument dat hij met ongekend gemak tot leven bracht. De klanken vervlogen, tot mijn spijt. Ik stond op en maakte een diepe buiging.

Lees ook: