Flarden, verf & muzieknoten (deel 2)

De volgende dag arriveerde ik op het afgesproken tijdstip bij zijn huis. Een bescheiden appartement, net buiten het drukke centrum van de stad. Samuel wachtte me buiten al op en groette me alsof we elkaar reeds jaren kenden. Zijn grijze haren glinsterden in het zonlicht en een klein brilletje versierde zijn levenslustige gezicht.
‘Felicia,’ zei hij. ‘Welkom.’
Ik volgde hem een trap op en maakte kennis met zijn vrouw; een vriendelijke dame die liefdevol en geduldig op mijn overkwam. Ze verliet de kleine huiskamer en dronk koffie in de keuken. Ze zat daar vaak, vertelde Samuel. Ik nam plaats op de bank en Samuel ging tegenover me in een stoel zitten. Hij zweeg even en leek het moment in zich op te nemen, zoals het een echte liefhebber van ‘flarden’ betaamt. Na dat korte moment van stilte spraken we met elkaar, zoals oude vrienden met elkaar praten. De vreemde verschijning die ik in hem zag, maakte al spoedig plaats voor herkenning en begrip. Samuel was een toeschouwer van het leven, maar het leven had hem zo gemaakt. Het was zijn plek, te midden van de chaos aan flarden. Ik herkende mezelf in zijn vele vragen en filosofische aard. Samuel had antwoorden, antwoorden op vragen die ik had. Onbeantwoorde vragen die mij – als zesendertigjarige – dagelijks bezighielden.
‘Kom eens mee,’ zei hij op een gegeven moment.
Ik volgde hem de kamer uit en we begaven ons via een trap naar boven. Daar, aan de linkerkant, bereikten we een klein kamertje dat licht en ruimtelijk aandeed. Er stond een grote boekenkast en een orgel. Dat was alles. Ik nam de ruimte in me op en de leegte maakte dat ik, voor het eerste sinds lange tijd, diep kon ademhalen en tot rust kwam. De boeken trokken direct mijn aandacht, want ik was een boekenwurm ten voeten uit. Het orgel zou mijn leven echter veranderen, dankzij de muzikant in Samuel die ik spoedig zou leren kennen.
‘Kun je noten lezen?’ vroeg hij me.
Ik knikte. Hij gebaarde me te gaan zitten en nam zelf plaats op een klapstoeltje. Hij maakte vuisten van zijn handen en strekte zijn vingers vervolgens weer uit. In zijn ogen las ik liefde, liefde voor dit orgel. Hij wiebelde kort heen en weer, voordat zijn vingers de toetsen raakten en hij wat losse noten speelde.
‘Flarden!’ riep hij verheugd. ‘Flarden van het geheel. Ze zijn niet bijzonder, hoewel ze een immense kracht bezitten. Het zijn zuivere tonen die op zichzelf staan, totdat je er een geheel van maakt.’
Ik luisterde aandachtig.
‘Speel jij ze eens,’ stelde hij voor.
Ik deed hem na, liet mijn vingers over enkele toetsen glijden en mijn voeten over de pedalen. Ik luisterde naar de klanken die mijn vingers voortbrachten. Toen ik stopte wreef hij in zijn handen.
‘Wat je nu speelt, zijn momenten. Het zijn de toeristen die je de oren van het hoofd vragen, het is de telefoon die gaat, een onbetekenend gesprek met een vreemdeling of een wandeling naar de supermarkt.’
Hij grijnsde. ‘En dit, dit ontstaat er wanneer je de flarden met elkaar leert verbinden.’
Ik sloot mijn ogen en luisterde, naar de klanken en de melodie. Gevoelens van liefde en dankbaarheid kwamen in mij omhoog. Mijn hart klopte rustig en tevreden. Ik luisterde en luisterde en luisterde. De flarden namen hun plek in en vormden een geheel; een verhaal. Er zat opeens betekenis in de ogenschijnlijk zinloze deeltjes.
‘Dit is het leven,’ fluisterde ik.
‘Precies.’ Hij knikte. ‘Dit is het grote geheel, dit is ‘later’. Dit is van belang, heeft betekenis.’
Ik opende mijn ogen en keek recht in die van hem.
‘We hebben het vaak over ‘later’, maar dat bestaat helemaal niet,’ zei hij grinnikend. ‘later vindt altijd plaats in het ‘nu’, op dit moment. We werken er naartoe, door middel van de losse noten. We creëren ‘later’op dit moment…’
‘En dus is alles van belang.’
‘Juist,’ zei hij trots. ‘Alles is even belangrijk, hoe onbelangrijk sommige zaken ook lijken.
Op die dag veranderde mijn leven, in een ogenblik. Ik wist dat ik in Samuel een vriend voor het leven had gevonden en bovendien vond ik hem een mentor, iemand waarvan ik kon leren. We ontmoetten elkaar elke week, soms zelfs twee keer in de week. Er waren dagen dat we met elkaar spraken en er waren dagen waarop we muziek maakten. We vonden verhalen in de chaos van losse muzieknoten en wijsheid in melodieën die we zelf creëerden.
‘Als mens kom je ter wereld in een chaos aan losse deeltjes, waaruit je kunt kiezen en die je naar eigen inzicht leert vormgeven. Je kunt dat vergelijken met muziek maken,’ zei hij eens. ‘Als je begint, heb je alleen de losse noten en op een gegeven moment leer je die met elkaar verbinden. Je geeft je leven vorm en maakt je leven tot een melodie, een lied. Zonder de losse stukjes kan er geen lied ontstaan. Zonder de flarden is er geen leven.’
‘We onderschatten de flarden,’ zei ik, peinzend. ‘Ik heb de flarden ook onderschat…’
‘Wie niet?’ Hij grijnsde. ‘Het zit in onze aard, maar daarom is de muziek uitgevonden!’
Ik lachte terug. ‘Dat zou goed kunnen…’
‘Het orgel wordt niet voor niets in de kerk gebruikt, Felicia. God schiep dit instrument! Het geeft ons de mogelijkheid dichter ij de waarheid te komen, als we durven. Wie orgel speelt, is een heldhaftig mens, als je ’t mij vraagt. Je gebruikt zowel je handen en voeten, je hoofd en je hart. Het is een bezigheid waarbij je hele wezen betrokken is!’
Ik barstte in lachen uit en Samuel lachte met me mee. We waren tevreden, in harmonie met het bestaan en vereerd met elkaars aanwezigheid. Het orgel stond daar, rustig en sterk, geduldig en mooi als altijd. Samuel nam me mee naar de keuken, waar we een kopje koffie dronken met zijn vrouw. Onze filosofische aard werd even met rust gelaten en we spraken over het weer, de markt en onze liefde voor de stad. Het was een waardevolle middag, die ik nummer zou vergeten.