Flarden, verf & muzieknoten (deel 3)

‘Samuel vertelde vertelde me dat je rondleidingen geeft?’ Nathalie keek me aan en ik knikte.
‘Ik heb altijd als gids willen werken,’ legde ik uit. ‘Vroeger deed ik alsof ik rondleidingen gaf. Mijn vriendjes en vriendinnetjes waren toeristen en ik liet ze de stad zien.’ Ik grijnsde. ‘De stad was ons huis, maar dat mocht de pret niet drukken.’
‘Het lijkt me een mooie baan,’ zei ze. ‘Ik vind het mooi dat je je liefde voor de stad wilt delen met diegenen die het hier nog niet zo goed kennen.’
Ze schudde haar hoofd. ‘Er is hier zo ontzettend veel moois te zien en je kunt hier veel leren over de chaotische geschiedenis en de verhalen die lang vergeten zijn. Het verleden is belangrijk.’
‘Dat is het zeker.’
‘En je bent lekker buiten,’ voegde Samuel schaapachtig toe.
‘Dat ook!’
‘Als kleine jongen wilde ik altijd herder zijn.’
Nathalie barstte in lachen uit. ‘Dat klopt. Samuel was een vreemde jongen, ook toen we elkaar leerden kennen.’
‘Dat was ik zeker, maar inmiddels begrijp ik mezelf en dat maakt alle verschil!’
‘Waarom wilde je herder zijn?’ vroeg ik.
‘Vanwege de frisse lucht, de stilte, de vrijheid en de schapen. Het leek me een fantastisch beroep.’
‘En je schapen hadden je vast niet zo’n vreemde eend gevonden.’
Hij keek zijn vrouw quasi-beledigd aan. ‘De mensen om me heen begrepen me niet, zeker de volwassenen niet.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Ken je De kleine prins?’
‘Van Antoine de Saint-Exupéry?’
‘Juist! Nou, dat vertolkt precies mijn gevoel van vroeger. Volwassenen begrepen niet hoe ik tegen de wereld aankeek en inmiddels begrijp ik dat wel, maar als je jong bent is dat vervelend en soms zelfs bedreigend. Je gaat je afvragen of je iets fout doet, of je gaat denken dat je raar bent, alleen maar omdat de ‘grote mensen’ met hun volwassen geest niets van je snappen.’
‘De wereld van kinderen is een mooie wereld.’
‘Een vredige en vrolijke wereld,’ vulde Nathalie aan.
‘Ik denk dat ieder kind op een gegeven moment aanloopt tegen de bedrukte en sombere realiteit die men het leven noemt. Naarmate je ouder wordt wen je aan dat gevoel, maar het is niet zoals we van nature naar de wereld kijken.’
Ik dronk mijn koffie op en bekeek Samuel en zijn vrouw. In Nathalie herkende ik iets wat mij herinnerde aan mijn moeder, die net zo geduldig en liefdevol overkwam. Ze stierf toen ik net dertien jaar was, maar ik kon me haar nog goed voor de geest halen. Vaak was ik bang geweest, dat ik op een dag niet meer zou weten hoe ze eruitzag en hoe veel ik van haar hield. Toch wist ik alles nog, van de kopjes thee op woensdagmiddag, tot de avonden waarop we samen schilderden. Ik herinnerde me de manier waarop ze me leerde omgaan met het leven en hoe ze naast me zat als ik mijn huiswerk deed.
‘Ze probeert de flarden aan elkaar te knopen,’ grapte Samuel tegen zijn vrouw.
Ik keek op.
‘Je hebt nog geen rust, maar dat komt wel.’
‘Als je oud bent, zoals wij,’ vulde Nathalie lachend aan.
‘Rust heb ik niet vaak, nee.’
Ik haalde mijn schouders op. ‘Ik kan mijn hoofd vaak niet tot rust brengen en ik realiseer me dat ik alles onder controle probeer te houden.’
‘dat is heel menselijk.’
Nathalie schonk nog wat koffie in en gaf me een roomboterkoekje aan.
‘Ik bedacht me dat u me aan mijn moeder doet denken,’ zei ik. ‘Ze overleed alweer jaren geleden, maar iets aan u brengt me terug bij haar.’
Nathalie pakte mijn hand vast.
‘Het zijn flarden,’ mompelde Samuel. ‘Wij mensen zijn maar flarden.’
‘Houd op.’ Nathalie keek Samuel waarschuwend aan.
‘Het is toch zo?’
‘Je hebt gelijk,’ zei ik. ‘Hoe moeilijk het ook is om dat altijd zo te zien. Ik weet dat we maar puzzelstukjes zijn en dat we onszelf vaak als belangrijker en invloedrijker beschouwen dan we daadwerkelijk zijn. Uiteindelijk zijn we hier allemaal maar tijdelijk, net als mijn moeder hier ook maar tijdelijk aanwezig was.’
Ik gooide wat suiker in mijn koffie. ‘Maar, het zijn de flarden die samen het leven maken toch? De flarden geven het betekenis.’
Op het gezicht van Nathalie verscheen een glimlach.
‘Ik moet gaan,’ zei ik plots.
Samuel knikte en ik stond op.
‘Ik stel het op prijs dat je wilde komen vandaag,’ zei hij. ‘Je bent een bijzondere meid.’
Ik lachte aarzelend.
‘Kom nog eens terug!’ riep Nathalie me nog toe.
‘Dat beloof ik.’
Ik verliet het huis en zag hoe Samuel nog enkele keren naar me zwaaide. Ik was overdonderd door deze plotselinge ontmoeting en geraakt door de warmte die Samuel en zijn vrouw uitstraalden. Het was alsof ze iets met mij deelden dat mensen vaak pas na jarenlange vriendschap met elkaar durven delen. Ze lieten me toe alsof ik familie was en ik voelde dat ik mezelf kon zijn, en dat ik kon leren van deze twee bijzondere mensen. Ik dacht nog even aan de flarden waarover Samuel sprak en mijn hart danste. Mijn moeder zou vast trots op me zijn, want zij wist als heen ander hoe gesloten ik me soms opstelde. Samuel had mijn muur afgebroken, op een zachtaardige en verrassende manier.
Het huis van Nathalie en Samuel werd een tweede thuis voor mij. Ik was er altijd welkom en dat gevoel deed me veel goed. Samuel en ik speelden veel op zijn orgel en ik maakte kennis met de muzikant in hem; iemand die niet alleen inging tegen wat ‘normaal’ was en sprak over flarden, maar een man die de pedalen en toetsen als heen ander beheerste. Al ontmoette ik Samuel op een vreemde manier en was het contact dat daaruit voortkwam al even vreemd, toch wist ik dat het betekenis had.
‘Mijn moeder overleed ook toen ik jong was,’ vertelde hij me op een dag.
Ik keek verrast op.
‘Ik was twaalf, het was zwaar…’
‘Dat kan ik me voorstellen.’
Hij liet zijn vingers over de toetsen glijden en zweeg, langer dan ik zag aankomen. Begrijpend speelde ik mee en onze handen creëerden een lief van weemoed en liefde. Samuel maakte zijn verhaal niet af, maar inmiddels was ik wel gewend geraakt aan zijn halve verhalen. Hij accepteerde mij en ik accepteerde hem, zonder ‘maar’, zonder terughoudendheid.