Flarden, verf & muzieknoten (deel 4)

Drie maanden later stierf Samuel, heel plotseling. Hij liet Nathalie gebroken achter. Ik zat aan haar zijde en had hem zien sterven, omdat hij me graag bij zich wilde hebben. Ik kreeg in die tijd een goede band met Nathalie en we boden elkaar de troost die we zo hard nodig hadden. We praatten nog vaak over Samuel en zijn streken, zijn liefde voor het orgel en zijn eigenzinnige visie op het leven. Hij was dan misschien niet langer bij ons, maar wat hij voor ons betekende zou altijd blijven bestaan.
Samuel zag een zielsverwant in mij, vertelde Nathalie mij eens. Hij zag in mij iemand met wie hij zonder woorden kon praten. We begrepen elkaar, zonder dat we daar enige moeite voor deden. In hem vond ik de vader die ik nooit had gekend, hoewel hij daarvan niets wist. Ik zag in hem een wijze man die mij houvast gad in het leven, in de chaos van flarden, zoals hij het noemde. En al die keren dat we samen achter zijn orgel zaten brachten mij dichter bij hem en daardoor ook dichter bij mezelf. Al die keren, al die losse flarden, waren van onschatbare ware voor mij.
‘Je ontmoet niemand voor niets,’ zei mijn moeder vroeger altijd. Samuel zei het ook.
‘Waarom?’ vroeg ik, steevast.
‘Omdat iedereen je iets leert en omdat je met iedereen iets anders deelt. Elk contact is uniek en waardevol. Sommige mensen zien zaken als vanzelfsprekend of als gewoon, maar het leven is zo prachtig als je kunt zien dat alles zijn redenen heeft.’
Ik kon de redenen niet zien, toen ik jonger was, maar inmiddels was ik niet langer blind. Iets in mij wilde altijd al geloven dat je iedereen met een reden ontmoet, maar Samuel toonde mij dat de mooiste vriendschappen heel plotseling kunnen ontstaan.
‘Je gelooft het niet, maar waarom zitten wij dan nu met elkaar te praten?’
Ik haalde mijn schouders op.
‘En waarom ben je nog niet weggelopen?’
‘Omdat je niet bedreigend overkomt. Je lijkt me een vriendelijke man.’
Hij grijnsde, op die dag; toen ik hem ontmoette. ‘Gelukkig maar.’
‘Samuel, was het toch?’
‘Ja.’
‘Ik vind u maar een vreemde man.’
‘Dat begrijp ik volkomen!’ schaterde hij.
Hij was ook vreemd en ander dan vele andere mensen. Na zijn dood las ik opnieuw het verhaal over de kleine prins en op die dag werd Samuel voor mij de ware kleine prins. Hij was net zo eigenwijs en nieuwsgierig, net zo verbaasd als een kind en even teleurgesteld in volwassenen. Ze begrepen hem niet, maar ik begreep hem wel. Hij jaren de moeite genomen om niet op te vallen en ‘normaal’ te zijn, om uiteindelijk tot de conclusie te komen dat er niets mooier is dan simpelweg jezelf zijn. Hoe vreemd hij soms ook op andere kon overkomen, in mijn ogen was hij een wijs man.
En ook ik werd meer mezelf, naarmate ik meer tijd met hem doorbracht. Samuel stelde me op de proef en daagde me uit. Soms irriteerde hij me, maar meestal begreep ik wat hij probeerde te doen. Hij schudde mijn ware aard wakker en liet me zien wie ik werkelijk was. Ik zag mezelf in hem en als een spiegel stond hij voor me.
‘Schilder je weleens?’
Ik schudde mijn hoofd. ‘Daar heb ik geen tijd voor.’
‘Natuurlijk wel.’
Hij greep wat kwasten uit een grote metalen kast en gaf mij er een paar aan. ‘We gaan schilderen.’
Ik keek hem wat twijfelachtig aan en hij wees op de muur in het kleine kamertje.
‘Wil je die beschilderen?’
‘Natuurlijk. De muur is prachtig van zichzelf, maar hij mist kleur en aandacht. Wij geven deze muur de aandacht die hij verdient. Kleur, glans, liefde…’
‘Nee.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat dit een muur is! Je schildert toch op doeken, niet op de muur in je huis. Je moet misschien nog jaren tegen die muur aankijken!’
‘Zeker weten.’
‘Je bent gek, Samuel. Het spijt me, maar je bent gek.’
Hij keek me lachend aan. ‘Juist omdat ik veel tijd in deze kamer doorbreng, zou ik deze muur liever zien zoals hij kan zijn. Deze muur is zoals wij – mensen – zijn. We worden geboren, kaal en zonder invloeden en kleuren. Dan krijgen we kleur, we groeien, we veranderen. De finishing touch brengen we op den duur aan, met behulp van de mensen die ons liefhebben. We zijn nooit ‘klaar’, maar we zouden toch niet altijd willen blijven zoals we geboren worden?’
‘Nee.’
‘Precies! Het is duidelijk. Hulp, schilderen!’
Hij stond tegenover me, met een eigenwijze blik in zijn ogen en zijn handen in zijn zij. ‘Of ga je me nu vertellen dat schilderen op een muur niet ‘hoort’? Dat het niet netjes is of dat het iets is voor kinderen?’
‘Ik zeg al niks meer,’ reageerde ik quasi-beledigd.
Samuel opende wat kleine blikken verf en doopte zijn kwast in de groene verf. Ik keek aarzelend toe, terwijl hij de haren van zijn kwast over de muur bewoog. Na minuten van zogenaamde koppigheid, wist ik dat hij geen grapje maakte en besloot ik hem te helpen. Samen verfden we de muur, in allerlei vrolijke kleuren. Er ontstond een puzzel, bestaande uit losse kleuren die samen het geheel vormden. Mooi was het niet, maar het was wel creatief. We waren vrij, voelden ons vrij. Nooit eerder voelde ik me zo levend als die middag en nooit eerder had ik werkelijk contact gehad met een ander mens, wist ik nu.
Ik bezocht Nathalie nog vaak en vrijwel elke keer verliet ik op een gegeven moment de keuken, waar zij haar kopje koffie dronk. Boven aan de trap ging ik linksaf, het kleine kamertje binnen. Daar nam ik plaats achter het orgel van Samuel. Mijn handen balden zich tot vuisten, zoals hij altijd deed, waarna ik mijn vingers strekte en muziek maakte. We hadden altijd zonder veel woorden met elkaar gepraat en nu was het alsof mijn hart nog steeds met Samuel kon praten, via zijn orgel, het losse deeltje dat zo veel voor mij was gaan betekenen.