Geluk, en de dwaas op de heuvel

‘Daar was het, vlak bij dat huis. Daar, op de heuvel.’
Hij wees steeds opnieuw naar de plek waar het gebeurde. Nadenkend bestudeerde ik zijn baard, alsof die mij antwoorden geven zou.
‘Ik heb vooralsnog alleen de informatie die u mij geeft, snapt u? Het zou ontzettend prettig zijn als iemand uw verhaal kan bevestigen, zodat ik andere opties kan uitsluiten.’
Ik staarde naar het natte gras onder mijn schoenen en keek toen op.
‘Vertelt u mij alstublieft nog eens wat er precies gebeurde.’
‘Het was daar op de heuvel. Ik maakte een lange wandeling, zoals ik regelmatig doe. Dit keer vond ik echter geluk. Of geluk vond mij, ook dat is mogelijk.’
Ik fronste mijn wenkbrauwen.
‘Geluk? Ah, en hoe wist u dat?’
‘Ik voelde het. Het was een eigenaardige vlaag van tevredenheid, van blijdschap in een alledaags moment. De omstandigheden waren zoals zij altijd zijn, maar plots voorzien van een voelbare glinstering. Een gloed die door het oog niet kan worden waargenomen…’
‘Al zou er dus iemand aanwezig zijn geweest, op de heuvel, dan zal dit waarschijnlijk niet door hem of haar zijn waargenomen?’
‘U heeft gelijk,’ zei de man zacht. ‘Niemand zal het gezien hebben.’
‘Het spijt mij, meneer, maar ik vrees dat dit ontoereikend is. Met alleen uw woord kan ik niets. Getuigen zijn cruciaal. Alleen dan kunnen we wellicht vaststellen of er zoiets als geluk bestaat. Het is namelijk nogal vergezocht, snapt u?’
‘Dat realiseer ik me…’
Kort daarna namen we afscheid. Ik wandelde naar huis en dacht aan de man, toen ik zag dat de stam van een oude eikenboom mij een glimlach schonk. Iemand had het in de stam gekrast, alsof het bestaan van geluk daarmee bewezen kon worden. Of blijvend zou zijn.
Ik vervolgde mijn weg naar huis, met een voelbare glinstering die het alledaagse plots deed oplichten. Subtiel, en slechts voor even. Toen verdween het weer.