Gregorianus Valerius Amadeus en het vriendelijke geheim

Daar, op de allerhoogste berg die je ooit hebt gezien, woont Gregorianus Valerius Amadeus van der Wael. Weinig mensen hebben hem ontmoet, want in het dorp komt hij nooit. En hij praat zo eigenaardig! Rijmpjes, gekke woorden en een manier van praten die meer op zingen lijkt… Het is rare snuiter. Op die allerhoogste berg woont Gregorianus echter al 63 jaar. Hij woont er samen met Hond, zijn 8 jaar oude Zwitserse witte Herder. En ja, zijn hond heet echt ‘Hond’. Dat vond Gregorianus wel toepasselijk. Waarom moeilijk doen als het ook makkelijk kan, nietwaar? Het lieve beest verliest zijn baasje nooit uit het oog en stiekem vindt Gregorianus dat wel fijn, al doet hij soms anders vermoeden.
‘Wegwezen nu! Stap, stap! Hup, hup! Je loopt de hele mooie, sprankelende zomer- en winterdag voor mijn meestal onbeschrijflijk onderkoelde voeten. Straks struikelen we nog over elkaar en rollen we pardoes van de berg af!’
Hij grinnikte om zijn eigen absurde idee. Samen wandelden ze naar de brievenbus, meestal tevergeefs. Vandaag echter niet…
‘Verhip, we hebben post…’ mompelde Gregorianus ongelovig.
Hij scheurde het witte envelopje open en haalde er een kaart uit.

Het geheim wordt ontrafeld.
Marktplein. Morgen. 13:00 uur.

‘Mijn hemel, ik weet niets van een geheim. Niets! En ik heb niet eens een fiets! Moeten we nu lopen… Helemaal naar dat vervloekte marktplein? Ik heb nu al buikpijn! O, dit is niet fijn… Gelukkig maar, Hond, gelukkig, dat we gezellig samen zijn.’
Hij ontving nooit post, dus dit moest belangrijk zijn. Toch klopte zijn hart in zijn keel. Al die mensen die hij niet kende. Al die blikken, vragen, opmerkingen, geluiden… Dat overrompelde hem nogal, maar het was niet anders. Met steeds zwaarder aanvoelende benen gingen Gregorianus en Hond de volgende dag op pad. Een smal weggetje cirkelde van boven naar beneden, om de berg heen.
‘Klop, klop, klop, mijn hart stuitert van je hop, hop, hop,’ zong de oude baas. ‘En ik fluister houd nu op, op, op, want mijn hart stuitert zo hard. Klopklopklop, steeds sneller van je hophophop, en ik stamel stamel stopstopstop, maar ’t helpt niet… KLOPKLOPKLOP, mijn hart stuitert van je HOPHOPHOP. En ik schreeuw HOU OP! HOU OP! Maar het helpt helemaal niets.’
Ze naderden het centrum. Stemmen en geluiden klonken eerst heel ver weg, maar nu steeds… ietsje… dichterbij. Nerveus zetten Hond en Gregorianus een stapje en nog een stapje en nog een stapje. Een klein meisje stond bij de poort en zwaaide.
‘Hallo, meneer! Vindt u het ook geen prachtig weer? Wat een lieve hond, wat is zijn naam? Bent u hier voor de eerste keer? En houdt u van rijmpjes, net als ik, meneer?’
Gregorianus keek het meisje verrast aan en knikte. ‘Ik ben dol op rijmerij, mijn kind. Het is een prachtige dag, er staat geen zuchtje wind. Ik woon hier al jaren, daar, op de berg. Hier in het centrum kom ik echter nooit, is dat erg? Dit is Hond, hij is mijn kamaraad. Wordt hier een geheim ontrafeld, en zo ja: hoe laat?’
‘Kijkt u eens meneer: het is een feest, nietwaar? Het is een feest hier en het is een feest daar. Iedereen is er. Het is gezellig en fijn. U hoeft echt nergens bang voor te zijn. Hoort u, meneer, mijn mooie gerijm? U, gezellig hier bij ons, dát was het geheim!’