Heijoshin

Ik zat er al een uur. Zij ook. Golvend grijs haar, fijne rimpeltjes, en levenslustig glinsterende ogen. Haar handen rustten ontspannen op haar donkerblauwe enkellange rok. Ik voelde me onwetend, alledaags en piepjong in haar aanwezigheid. We zeiden geen woord. Verfrissend, net als de lentewind die aangename gedachten deed opwaaien in mijn tot rust gekomen geest. Nog niet zo lang geleden was dat wel anders, maar gelukkig waren eb en vloed in alles aanwezig. Een natuurlijk proces, maar dat proces… daar kon ik soms bar slecht mee uit de voeten. Niets ooit ‘klaar’, nooit echt. Altijd onderweg, in beweging. Met een beetje geluk ergens naar toewerkend. Een stipje in de verte, een idee dat mogelijk tot leven gewekt zal worden, maar evenwel een fata morgana kan zijn.
Maar de wind kwam en blies alle frustratie, de angst voor komen en gaan, en het gevecht met wat was of wellicht zou zijn, de onbereikbare verte in. Daar verdween het, met toen en nu en straks, in een mist die alle vormen verslond. En hier zaten we, samen en toch alleen. Normaliter was de scheiding, het besef van het alleen zijn, echter vele malen groter. Voorzichtig genietend van de chaotische en immer veranderende realiteit, zat ik naast de vrouw die zo nu en dan opkeek. Een uur, een uur en een kwartier. Anderhalf uur, een uur en drie kwartier.
Toen stond ze op, glimlachte nog eens, en wandelde de verte tegemoet. Haar grijze lokken haastten zich achter haar aan. Mijn blik zweefde rond en bleef toen hangen op een dun schriftje. Het lag daar, waar de vrouw zojuist had gezeten. De wijs- en middelvingers van mijn rechterhand dansten ernaartoe en ontvoerden het met alle mogelijke vormen van respect. Na een kort iene miene mutte sloeg ik het open.

Ik sloeg het schriftje dicht en ademde de lentewind diep in.