Het Mysterie van de Moderne Mens (deel 1)

Oorspronkelijk Engelstalig en voor publicatie inhoudelijk iets gewijzigd.
‘Wat een vreemd verzoek,’ zei ze. ‘En waarom wil je rondsnuffelen in mijn huis?’
‘Omdat ik meer wil leren over de moderne mens. Ik begrijp dat het een vreemd verzoek is, maar het is ontzettend belangrijk voor me. Het hoeft maar een paar minuten te duren, mevrouw.’
Ze grinnikte.
‘Nou, je oogt in elk geval wel als iemand die leeft in een grot en per ongeluk terecht is gekomen in dit beschaafde deel van de wereld.’
Ik besloot daar niet op te reageren en stond daar alleen maar. Glimlachend.
‘Kom binnen, vreemde man, voordat iemand je ziet.’
Enigszins nerveus volgde ik haar en we passeerden een eigenaardige deur. De deur leek opgebouwd te zijn uit miljoenen kleine stukjes, samengebracht met een heel hoop aandacht, tijd en toewijding. Ik bewonderde de indrukwekkende deur, maar de vrouw greep mijn hand en leidde me vluchtig een andere ruimte in. Natuurschoon verscheen voor mijn ogen en ik liep er zonder nadenken naartoe, totdat ik hardhandig werd tegengehouden door een doorzichtige muur. Ik kwam op de grond terecht en ervoer een pijnlijke steek in mijn borst. De vrouw lachte om mijn pijn en dat begreep ik niet, maar mijn nieuwsgierigheid maakte dat ik het voorval snel vergat.
Voorzichtig raakte ik de onzichtbare muur aan. Ik had nog nooit zoiets gezien, maar er moest een reden zijn dat mensen zichzelf afschermden van de natuur. Misschien waren ze bang voor haar kracht, bedacht ik me. Dat zou de aanwezigheid van onzichtbare muren verklaren. Misschien besloten ze de schoonheid van de natuur van een afstandje te bewonderen. Dat kon ik wel begrijpen, want ik was al vaak geconfronteerd met de meedogenloze kant van de natuur. Hoe dan ook, geloven dat je de natuur simpelweg kunt buitensluiten kwam wat naïef op me over. Als ze kwaad wilde doen, zou ze zeker niet worden tegengehouden door deze onzichtbare muren.
‘Kom je nog?’ vroeg de vrouw ongeduldig.
‘Waarom gebruikt u deze onzichtbare muren om de natuur buiten te sluiten?’ vroeg ik.
Ze keek me aan en grijnsde. ‘Dat zijn ramen, dwaze man, geen onzichtbare muren.’
‘Ramen…’ herhaalde ik. ‘Ik heb nog nooit gehoord van ramen…’
‘Hoe dan ook, we hebben ze nodig,’ zei ze. ‘Ten eerste: de natuur is meedogenloos. Als we willen overleven, moeten we onszelf beschermen. En ten tweede: muren en ramen verschaffen veiligheid, want ze houden de verkeerde mensen weg.’
Ik keek op en ontdekte dat de binnenkant van het dak in vele prachtige kleuren was geschilderd. Het was een eigenaardig gezicht dat me intens fascineerde.
‘Wat zijn verkeerde mensen?’ vroeg ik. ‘En waarom wilt u dat mensen wegblijven?’
‘Mensen zijn niet te vertrouwen. Ze liegen, kwetsen, vechten en moorden zelfs. Mensen kunnen heel gevaarlijk zijn.’
‘Dieren ook,’ merkte ik op. ‘Het zit in hun natuur. Waarom zou je iets anders van hen verwachten, mevrouw?’
‘Omdat de wereld veranderd is en wij geen dieren zijn. De mensheid is gegroeid en we kunnen ervoor kiezen beschaafd en vriendelijk te zijn. Sommige mensen lijken echter gevangen te zitten in een soort van dierlijk gedrag. Om die reden dienen wij onszelf te beschermen.’
Ik haalde mijn schouders op en wees toen naar de gekleurde binnenkant van het dak. ‘Dit kan ik begrijpen, want dit kan heel waardevol zijn als het regent.’
Ze lachte, een beschaafde en aangepaste lach. Ik kon geen plezier of schoonheid ontdekken in deze ongemeende glimlach. Het maakte me bedroefd en ik besloot haar snel een andere vraag te stellen.
‘Waarom schildert u de binnenkant van het dak?’ vroeg ik.
Ze keek op. ‘Het plafond, bedoel je?’
‘Ik denk het…’
‘Het is prachtig, vind je ook niet?’
Ze stond op en keek er nogmaals naar. ‘Ik moet toegeven dat ik er niet erg vaak naar kijk, maar als ik ernaar kijk geniet ik er zeer van. Anders was maar wit en saai geweest. Hoe verschrikkelijk is dat?’
‘Maar wat ik de reden dat u het besloot te schilderen? Is het niet genoeg dat dit u beschermt tegen de regen?’
‘Het ziet er leuk uit zo,’ zei ze. ‘Wat voor redenen heb ik verder nodig?’