Het Mysterie van de Moderne Mens (deel 2)

Ze pakte mijn hand en we passeerden nog een deur. In de deur herkende ik vele kleine sterren. Ik was bekend met sterren, want ik had er al vele mogen aanschouwen. Ik had ze echter nog nooit op deuren opgemerkt. Ik had ze in de lucht gezien, maar vreemd genoeg zag ik ze daar tegenwoordig nog maar nauwelijks. Ik keek om me heen en merkte nog meer deuren op. Ze verdeelden de ruimte in nog kleinere ruimtes en ik wist niet waarom. Ik vroeg de vrouw ernaar, maar dat maakte dat ze plots alle manieren en beschaafdheid leek te vergeten waarover ze vol intensiteit sprak.
‘Privacy, dwaas!’ riep ze met een felheid die ik nog niet van haar kende.
‘Waarom heeft u privacy nodig, mevrouw?’ vroeg ik, alsof haar harde reactie geen enkel effect op mij had.
‘Omdat het normaal is! Het zou nogal vreemd zijn als we onze spullen in een kamer neergooiden en bovenop elkaar sliepen. Dit is hoe het hoort, en gelukkig maar.’
Ze glimlachte vaag en ging verder: ‘We hebben ieder onze eigen spullen en we hebben ook allemaal onze eigen ruimte nodig. Daarnaast hebben de kamers uiteenlopende functies en daarom zijn er andere dingen nodig. Dit, bijvoorbeeld, is de woonkamer. Hier zitten we om te praten, een boek te lezen, of televisie te kijken. Zo beschikken wij over verschillende ruimtes, die we gebruiken voor uiteenlopende dingen. We hebben ook een slaapkamer. Daar slapen we. Dat klinkt allemaal heel logisch, toch, kleine man?’
‘Ik heb nog nooit een eigen kamer gehad,’ zei ik. ‘Of een huis.’
‘Arme ziel…’
‘Ik voelde me nooit arm,’ mompelde ik. ‘Wij deelden alles en ik had daar geen moment last van. Als je geen bezittingen hebt en niets voor anderen verborgen houdt, heb je ook veel minder te beschermen en te verstoppen. Wij hadden geen geheimen en we voelden ons ook niet eenzaam, zoals de moderne mensen. Ik heb al een hoop eenzame mensen ontmoet…’
‘Tijden veranderen,’ mompelde de dame. ‘Dit is deel van die verandering.’
‘Wat is televisie?’
Ze slaakte een zucht. Ik leek haar erg te irriteren, maar ik wist niet waarom.
‘U heeft gelijk, tijden veranderen,’ zei ik daarom beleefd, ‘maar voelt u zich niet opgesloten in deze ruimtes?’
Ik keek om me heen en hapte naar adem.
‘Deze ramen, ruimtes en deuren… Het is alsof u een gevangene van uzelf hebt gemaakt, alleen maar omdat dat veilig schijnt te zijn. Eerst zondert u zich af van andere mensen en van de natuur, en dan neemt u uzelf gevangen in een nog kleinere ruimte…’
‘Zo heb ik er nog nooit over nagedacht,’ zei ze.
‘Wat zijn dit?’ vroeg ik, wijzend op drie eigenaardige objecten, ogenschijnlijk gemaakt van boom. ‘Zijn ze gemaakt van boom? Daar lijkt het wel op, maar bomen horen buiten. Toch? Heeft u een boom vermoord, mevrouw?’
‘Dit zijn stoelen!’
‘Stoelen…’ herhaalde ik. ‘Wat zijn stoelen?’
‘Op stoelen kun je zitten,’ legde ze uit. ‘Anders zouden we allemaal op de grond moeten zitten en hopelijk hoef ik je niet te vertellen dat dat compleet ongepast zou zijn.’
‘Wat is er mis met op de vloer zitten? Wij zaten op gras of zand. Uw vloer is zelfs zacht!’
‘In hemelsnaam!’ riep ze uit. ‘Ben je opgevoed door dieren?’
Ze keek naar het plafond, alsof ze God vroeg hoe hij zo’n dwaas had kunnen creëren. Het gaf me een zeer onaangenaam gevoel. Het was duidelijk dat ik nog steeds veel te leren had over de moderne mens, maar ik wilde eigenlijk niet meer te weten komen. Ik had dit alles nooit nodig gehad, maar deze mensen leken er niet zonder te kunnen. Hoe kon ik hen in hemelsnaam begrijpen? Als ik zou zien dat ze tegenwoordig ook gelukkiger waren, dan zou ik het kunnen begrijpen. De mensen die ik had ontmoet leken echter niet gelukkig. Ze hadden of te weinig spullen, of te weinig tijd. Sommigen waren helemaal alleen en anderen hadden nooit een moment rust, een moment voor zichzelf. Ze moest werken en ingewikkelde dingen doen op schermen. Computers, schenen ze te heten. Ik wist niet wat dat waren, maar bijna iedere moderne mens had last van die rare objecten…