Het Mysterie van de Moderne Mens (deel 4)

‘Doe niet zo mal,’ zei de vrouw. Ze drukte op het rechthoekige object en het kunstwerk werd weer zwart.
‘Die mensen horen je niet,’ zei ze. ‘Dit noemen wij een film. Wij kijken daarnaar. Het is een vorm van ontspanning of amusement. Het is een verhaal.’
‘Ze horen ons niet, die mensen?’ herhaalde ik.
‘En ze zien ons niet.’
‘Waarom kijkt u naar die beelden?’
‘Omdat dat aangenaam is. Zo houden wij ons bezig. Soms doen we ook spelletjes, maar televisiekijken kun je ook alleen doen. Dat is toch heerlijk?’
‘Naar een scherm kijken?’
Ik haalde mijn schouders op.
‘U heeft hier al zo veel om naar te kijken…’
‘Jongen toch,’ mompelde ze. ‘Ik kan je maar weinig bijbrengen, is het niet?’
Ik schudde mijn hoofd. ‘Ik… ik…’
Verward wreef ik in mijn ogen.
‘Maar wat is de reden dat u een televisie nodig heeft?’
‘Die is er eigenlijk niet. We hebben niet alles nodig wat we vandaag de dag hebben. Sommige zaken zijn een toevoeging. Een extraatje, zogezegd.’
‘Ik moet gaan,’ mompelde ik. ‘Dank u voor uw gastvrijheid, mevrouw.’
Ze knikte. ‘Jij vreemde man…’
Ik glimlachte als een idioot, bedankte haar nogmaals en verliet de gevangenis die zij ‘thuis’ noemde. Ze zwaaide en ik zwaaide terug, hoewel ik me bedroefd voelde. Haastig liep ik weg van de eigenaardigheden, toen ik bijna struikelde over een kleine jongen. Hij zat op de stoep en speelde met een takje.
‘Hallo,’ zei ik.
Het jongetje keek op. ‘Hallo.’
‘Wat ben je aan het doen?’
‘Takje!’ riep hij, terwijl hij het met triomfantelijk gebaar de lucht in stak.
‘Ja, die ken ik wel.’
‘Van de boom.’
Ik knikte.
‘Bomen zijn mooi, vind je ook niet?’
‘Ja,’ zei het jongetje.
Hij stond op.
‘Weet je ook wat een televisie is?’ vroeg ik.
‘Ja, maar die vind ik eng.’
Ongelovig keek ik op.
‘Echt waar?’
‘Er zitten mensen in…’ fluisterde hij.
‘Maar ze horen en zien je niet, heb ik begrepen.’
‘Ik weet niet…’
Ik keek het jongetje nieuwsgierig aan.
‘Weet jij wat een hulp is?’
‘Hulp is als je iemand helpt, toch?’
Ik knikte. Glimlachend.
‘En als een persoon een hulp is?’
‘Dan helpt-ie, denk ik.’
‘En dan gaat-ie naar winkel om eten te kopen?’ vroeg ik.
‘Ik weet niet…’
Ik ging naast het jongetje zitten en keek naar de lucht. ‘Heb jij weleens sterren op een deur gezien?’
Hij schudde zijn hoofd.
‘Ik wel, nu net. Ik had nog nooit zoiets vreemds gezien.’
‘Sterren op een deur?’
Het jongetje lachte. ‘Maar sterren zijn dáár, in de wolken.’
‘Dat dacht ik ook.’