Het Mysterie van de Moderne Mens (deel 5)

We zwegen en het jongetje speelde vol overgave met het takje dat de boom losliet en bij hem bracht. Het jongetje koesterde de schoonheid van het takje, de geschiedenis van het takje. Misschien zelfs zonder dat door te hebben. Het verwarmde mijn hart.
‘Ik kom niet uit deze tijd,’ zei ik. ‘Ik leefde heel lang geleden, toen de wereld nog heel anders was. Ik ben hier om meer te leren over de mensen die hier nu leven.’
Ik stopte even en ging toen verder. Het jongetje keek me nieuwsgierig aan.
‘De mensen lijken helemaal niet blij,’ mompelde ik. ‘Wist jij trouwens dat er helemaal geen doorzichtige muren bestaan? Dat noemen ze ramen.’
‘Ja.’ Het jongetje grinnikte. ‘Maar het lijken wel doorzichtige muren, want je kan er niet doorheen. Ik deed dat een keer bijna, maar toen viel ik heel hard.’
‘Ik ook!’ riep ik uit.
‘In wat voor wereld leefde jij dan?’ vroeg het jongetje.
‘Een wereld waar nog helemaal geen huizen waren. Wij woonden buiten en wij speelden heel vaak met takjes. We klommen in bomen en genoten van de warmte van het vuur.’
‘Ik mag niet klimmen in bomen,’ zei de jongen met een klein stemmetje. ‘Dan worden mijn kleren vies, en mama zegt dat het ook gevaarlijk is.’
‘Dat is het lot van de moderne mens, heb ik geleerd. Wat dat ook betekent… Wij hadden niet zulke kleren,’ zei ik, wijzend op de kleren van het jongetje. ‘En het maakte niets uit als wij vies werden. Het hoort erbij als je buiten leeft. Net als gevaar…’
‘Maar is de wereld zo eng?’
‘Volgens mij is het leven vandaag de dag veel veiliger, omdat iedereen zo bezig is met veiligheid. Vreemd genoeg lijkt de mens wel angstiger dan in mijn tijd. Raar is dat, vind je ook niet?’
‘Ja, want dat zou dan juist niet zo moeten zijn.’
‘In mijn tijd was elke dag een zegen, omdat het niet vanzelfsprekend was dat je morgen nog zou leven. Wij maakten een feest van elke dag, omdat het iets bijzonders was.’
‘Dat doen de mensen nu niet,’ antwoordde het jongetje. ‘Vooral grote mensen, want die moeten altijd geld verdienen.’
‘En netjes zijn.’
‘Ja, ook netjes zijn. Maar kinderen ook.’
Het jongetje staarde naar de boom, die sterk en stoer voor onze neuzen stond.
‘Wil je in de boom klimmen?’ vroeg ik. ‘Ik ben er heel goed in, ik ga wel met je mee.’
Hij knikte heftig en lachte, vol overgave; een lach die alleen kinderen lachen kunnen. Ik pakte zijn hand en we liepen op de boom af. Het was een prachtige creatie, met takken die reikten tot in de hemel. Niet echt natuurlijk, maar zo leek het wel. Vol bewondering legde ik mijn handen op de stam. Het jongetje deed hetzelfde.
‘Bomen zijn prachtig,’ mompelde ik.
Ik tilde het jongetje op, toen een hoge stem mij opschrikte.
‘Laat hem los! Nu!’
Ik keek om. Een jongedame kwam haastig op ons afgelopen, met ogen die vuurspuwden. Het jongetje maakte zich los uit mijn armen.
‘Mama, mama, wij gaan in de boom klimmen!’ riep hij opgewekt.
‘Geen denken aan!’
Op slechts centimeters afstand bleef ze staan.
‘Wegwezen jij! Ik wil je niet meer in de buurt van mijn zoontje zien.’
‘Maar mama, deze meneer komt uit een andere tijd. Hij speelde ook met takjes!’
De vrouw negeerde de woorden van haar zoon en greep hem bij de hand.
‘Meekomen. Wij moeten nog rekensommetjes maken.’
‘Maar ik wil in de boom klimmen!’
Het jongetje verdween de verte in en ik bleef hulpeloos achter. Ik begreep de woede van de vrouw niet en ik wist niet wat rekensommetjes waren. Het was vast belangrijker dan klimmen in een boom, voor deze mensen in elk geval… Het maakte me bedroefd dat het jongetje moest meekomen terwijl hij slechts even in de boom wilde klimmen. Hij was zijn verbondenheid met de natuur nog niet verloren, maar ik wist dat dit slechts een kwestie van tijd zou zijn.
Ik dacht aan de dame die mij zo vriendelijk haar huis had laten zien. Het was een beleefde dame, die vast geen vlieg kwaad deed. Toch was ze niet gelukkig en dat feit was mij niet ontgaan. Het deed me pijn om zo veel gevangenen te zien, die leefden met de illusie dat zij vrij waren. Zo hielden ze zichzelf wellicht op de been, maar ik wist zeker dat dit niet eeuwig goed kon gaan. De mens wordt vrij geboren, maar sterft als een gevangene.
Dat is wat ik om me heen zag: gevangenschap. En dat alles onder het mom van de moderne tijd, een betere wereld, rijkdom… Het waren illusies, die uiteindelijk meer kwaad dan goed deden. Schadelijk zijn de leugens die de mens van kinds af aan al worden opgedrongen. De onschuldigheid wordt beschouwd als onwetendheid, stompzinnigheid, maar in die onschuld schuilt de ware wijsheid.
Ik had al veel geleerd over de moderne manier van leven, van uiteenlopende mensen die op een of andere manier zeer vreemde gewoontes en overtuigingen leken te delen. Ik kon de bedroefdheid, die ik voelde terwijl ik deze mensen observeerde, niet negeren. Wij werden niet warm gehouden door huizen of spullen, maar wij vonden warmte in de zegeningen in onze harten en rijkdom in het plezier van elkaars aanwezigheid.
Ik weet niets over ‘stoelen’, ‘hulpen’, ‘plafonds’ en ‘ramen’, maar een ding weet ik wel: separatie is schadelijker dan de natuur ooit kan zijn. Als je me niet gelooft, breng dan eens een bezoekje aan deze dame. Ze zal proberen je in de maling te nemen, zoals ze allemaal doen, maar je zult het in haar ogen zien. Afgescheiden zijn van de natuur, is afgescheiden zijn van jezelf. Niets kan deze pijn verbergen.