Initium

Een indringende geur snijdt door mijn neus en veroorzaakt venijnige steken in mijn hoofd. Ik kan me nauwelijks bewegen, maar plaats voor paniek is er niet meer. Ik voel me leeg en zwaar. Uitgeput. Tergend langzaam komen de weinige indrukken binnen. Ik benoem ze, alsof ik woordjes leer en mezelf overhoor.
‘Stof. Stilte…’
Ik hoest en slik moeizaam.
‘Duisternis…’
Niets anders neem ik waar. Niets dan stof en stilte en duisternis. En mijn ademhaling, die nauwelijks hoorbaar aantoont dat ik nog in leven ben. Nog steeds, verdomme. Hij was zo dichtbij. De dood, hij was hier, dat weet ik zeker. Hij was hier, maar verdween zonder iets te zeggen. Alleen de stilte bleef achter. Verdomme.
Ik hap naar adem. Iets trekt mijn aandacht. Muziek. Ver weg. Er klinkt muziek en er brandt licht. Kaarslicht. Het lokt me dieper de duisternis in. De kleine vlammen slaan wild om zich heen, alsof ze hun weinig indrukwekkende voorkomen zo trachten te compenseren. De klanken klinken nog steeds ver weg, maar desondanks onheilspellend.
Een imposante deur houdt me tegen en ik klop drie keer, waarna het gevaarte opengaat. Onzeker betreed ik de ruimte. Ik versnel mijn pas en blijf dan staan. Verlamd. Bevroren. Ik knijp mijn ogen tot spleetjes, maar het beeld blijft hetzelfde. Tientallen kaarsen verlichten de statige ruimte en vele ogen zijn onbewogen op mij gericht.
Een indringende geur snijdt door mijn neus en veroorzaakt venijnige steken in mijn hoofd. Ik kan me nauwelijks bewegen, maar plaats voor paniek is er niet.
Niet meer.