Lachende Leo

Geen dag was hetzelfde met meneer Kersenboom. Op zevenentachtigjarige leeftijd leek hij de energie van een twintigjarige te hebben. Leendert. Voor familie en vrienden ‘lachende Leo’. Iemand die het lachen tot een ware levenskunst had gemaakt en waar ook anderen smakelijk om konden lachen; was het niet omdat hij tijdens het fietsen een stoepje miste, dan wel omdat hij halsoverkop een cursus Afrikaans dansen was gaan volgen, wandelmeditatie ontdekte of een coffeeshop indook om te bekijken wat men nu precies bedoelde met ‘wiet’. Kersenboom kon het niet laten. Hij wilde alles uitproberen. Met rode ogen en benen als pudding keerde hij terug naar huis. ‘Jongen, ik ben er kotsmisselijk van geworden, maar ik heb het tenminste geprobeerd!’ vertelde hij zijn zoon lachend.

Leo deed menigeen denken aan detective Columbo. Regelmatig liep hij weg, om nog geen seconde later terug te keren en joviaal te roepen: ‘O, dat wilde ik nog vertellen!’ Uiterlijk had Leo echter niets weg van de slonzige speurder. Kersenboom droeg een degelijk rond brilletje op zijn hoekige neus. Zijn gezicht was altijd netjes geschoren en wanneer hij voorbij liep liet hij een spoor van aftershave achter. Zijn pantalons waren ouderwets geplooid en hij droeg nette suède schoenen die hij ’s avonds steevast opborg in de originele schoenendoos. De weinige grijze haren die hij nog bezat, kamde hij elke dag weer met veel aandacht over de kale cirkel op zijn achterhoofd. Leo was een ijdele man die graag achter de vrouwtjes aanzat en hij deed weinig moeite om dat te verbergen.

Waar ieder ander met het verstrijken der jaren wellicht wat voorzichtiger wordt, ging Leo er vaak en lang op uit. ‘Voorzichtigheid? Rust?! Neuh, da’s voor de doden!’ riep hij altijd. Hij had een klein appartement dat oogde alsof er niemand woonde. De hoge beige vloerbedekking zag er na jaren nog uit als nieuw en de eenzame grenen boekenkast die de terracottagekleurde wand versierde, was vrijwel leeg. Op enkele boeken over Steinlen, Escher en Hundertwasser na. Het leek wel alsof er niets bewoog in zijn appartement.

Desondanks werd de smetteloze ruimte wekelijks onderhouden door een ijverige buurvrouw. Janet, onder de buurtbewoners ook wel bekend als Jans. Vierenzeventig jaar oud en gezegend met een overdosis humor en charisma. Zingend haalde ze elke keer weer onnodig de stofzuiger door het huis en wanneer ze de ramen zeemde klom ze de ladder op alsof het de Himalaya was. Waarschijnlijk door de vele kilo’s die zij met zich meedroeg. Haar humor leed er echter niet onder. Jans was echt een zonnetje in huis, zoals men dat noemt. Het was geen wonder dat die twee het zo goed met elkaar konden vinden.

De kinderen van Leo hadden altijd al het vermoeden dat er meer gaande was tussen de twee, maar nooit heeft hij dit toegegeven. Wanneer ze ernaar vroegen reageerde hij op zijn eigen, unieke manier. Hij wreef over de achterbleven haren op zijn hoofd, schonk een glas jenever in, trok een overdreven verbaasd gezicht en begon vervolgens over een heel ander onderwerp.

Voor Leo was dat ook niet moeilijk, want hij was nu eenmaal een man van vele verhalen. Het bijzondere was, dat dit geen verhalen waren waarvan je als luisteraar in slaap sukkelde. Zijn verhalen waren kort en bondig, vol beeldende beschrijvingen en nog interessant ook. ‘Wat ik vandaag weer heb meegemaakt!’ was de zin waarmee hij zijn verhalen altijd begon. Zo vertelde hij eens hoe hij het karaokezingen ontdekte, in een dubieus café aan de andere kant van de stad. Hij kwam daar regelmatig en had de boel op stelten gezet toen hij van ‘I want to break free’ een ware Kersenboomversie maakte. Het klonk nergens naar en als Freddy Mercury het gehoord had, was hij zeker teruggekomen (en terecht). Maar ach, Leo had lol en ‘zijn publiek’ genoot net zo. Zijn jasje ging uit en zijn heupen wiebelden, enigszins stroefjes, heen en weer. Hij zong uit volle borst en vergat ook niet te knipogen naar de charmante dames aan de bar. Ricky Martin kon nog een puntje zuigen aan de sensuele capaciteiten van meneer Kersenboom. ‘Die Leo deinst ook nergens voor terug,’ fluisterde men hoofdschuddend. ‘Wat een aparte man.’

Twee keer per jaar ging Lachende Leo op vakantie en elke keer nam hij iemand anders mee. Meestal een van zijn kleinkinderen, soms een goede vriend. Iedereen wilde wel mee, want een vakantie met Kersenboom stond garant voor drie weken plezier. Zo nam hij zijn vijftienjarige kleinzoon Dave eens mee naar Marokko, waar opa Kersenboom zich moeizaam op een kameel hees om samen een rit door de woestijn te maken. Een ding was zeker, als die ouwe ooit nog overleed zou er op zijn grafsteen staan: ‘Levend is hij gestorven’.

Verder Bericht

Vorige Bericht

© 2018

Thema door Anders Norén

Visit Us On Linkedin