Morpheus

Schemering heeft de zon verdreven. De nacht is onderweg. Met alle kracht die ik nog in me heb, baan ik me een weg door de dichtbegroeide wildernis. Warme rode tranen storten langs mijn arm ter aarde. De pijn beneemt me de adem en ik ruik mijn ondergang. Een raaf zweeft hoog boven mij, door de lucht die op aards niveau niet langer zuurstof lijkt te bevatten. Elke stap is een gevecht, een strijd tegen de demonische krachten die mij trachten te overmeesteren.
Bijtende steken in mijn rechterknie bemoeilijken mijn ontsnapping, naderen meer en meer de fragiele grens die draaglijke en ondraaglijke pijn scheidt. De natuur vernietigt mijn grip. Bladeren plakken aan mijn handen en gezicht, en de geur van natte aarde doet me kokhalzen. Nadenken kan ik niet, maar de vluchtweg die mijn hersenen razendsnel uitstippelen stuurt me. Ik omzeil bomen, struiken en stenen, met ongekend gemak. Heel even blijf ik staan. Ik tuur om me heen, maar zie geen hand voor ogen. Erebus heeft het bos geheel in zwart gehuld. En ik hoor niets. Geen voetstappen of brekende takjes, geen teken van menselijke aanwezigheid. Alleen mijn ademhaling. Korte, piepende smeekbedes. Het stelt nauwelijks nog iets voor.
Ik versnel mijn pas, maar dan zie ik het. Ik bevries. Hap tevergeefs naar adem. De duivelse blik spreekt een taal die geen stem of woorden behoeft. Mijn lot is glashelder, mijn dood een realiteit die leeft in zijn ogen: giftig glinsterende kijkers die zich hardhandig verankeren in de mijne. Het kwaad stroomt, lokaliseert en vernietigt mijn laatste restje kracht. Met grimmige precisie. Zijn hete adem brandt door mijn huid, zijn nagels snijden door mijn vlees. Ik schreeuw, lange seconden aaneen. Zand en bladeren, boven mijn hoofd en om mij heen. Als een dans. Een klein wonder. Het ruist en raast en ritselt, maar ook dat is van tijdelijke aard.

Schemering heeft de zon verdreven.
De nacht is opgestaan.