Nachtwerk (1)

Daar is het opnieuw. TIK TIK TIK. Ik sluit mijn ogen, hoewel de duisternis niet zwarter worden kan. Mijn oren gaan tot het uiterste om vast te stellen welk geluid de doodse stilte verbreekt. Alles beter dan het angstaanjagende gevoel dat de wereld niet langer bestaat en jij – alleen jij – bent achtergebleven. Ter dood veroordeeld, maar nog altijd in leven. Langzaam stervend, bloedend, als een hulpeloos dier.
TIK TIK TIK. Daar is het weer, als de troostende arm van een goede vriend. Het is een welkome zekerheid in mijn eeuwigdurende nacht. Op de tast verken ik mijn stinkende onderkomen en verrast concludeer ik dat de ruimte vele malen groter is dan ik had durven hopen. Ik schuifel rond, verzwakt door de verwondingen aan mijn armen en benen, en betast vochtige muren en objecten die ik in het donker niet identificeren kan. Toch maak ik mij er voorstellingen van. Vormen en structuren komen tot leven in het schimmige licht van mijn door doodsangst, honger en overlevingsdrang bezeten lichaam en geest.
Een kastje, verbeeld ik me. Het staat sfeervol naast mijn luxueuze tweepersoonsbed. Ik laat me vallen. Het zijdezachte beddengoed voelt heerlijk aan. Even sluit ik mijn ogen en ik bemerk dat het geluid nog altijd bij me is. Ik ga rechtop zitten en kijk om me heen. TIK TIK TIK. Nieuwsgierig strompel ik door de kamer. Mijn handen glijden over de muren, die zijn voorzien van een motief dat zelfs nuchtere ogen pijnigt. De donkerblauwe vloerbedekking onder mijn voeten is zacht. Zo zacht dat ik eigenlijk languit op de grond wil gaan liggen. Ik ben moe, besef ik. Doodmoe.
Het geluid komt dichterbij. Ik sta voor een eikenhouten boekenkast en bestudeer de door tijd en verwaarlozing ontsierde werken van Spinoza, Wollstonecraft, Poe, Byron, Pushkin, Goethe, Paine, en vele, vele anderen. Ademloos aanschouw ik de verstofte collectie die ik maar wat graag onder mijn arm zou meenemen, of beter nog: op sciencefiction-achtige wijze in mij zou opnemen, simpelweg door de inhoud mijn hoofd in te laten stromen. Ik zie me al staan, met mijn handen op mijn slapen en mijn ogen dicht. Letters stromen, van de bladzijden mijn hoofd in. ZOEF! De boeken blijven leeg en levenloos achter. Spookachtig. Magisch! Hemels…
Ik schrik op, trek de boeken met zo veel mogelijk beleid uit de kast en parkeer ze op bed. In trance jaag ik op het getik. Slechts een kast tussen ons in. Een zware kast, maar toch. Hoe moeilijk kan het zijn? Ik duw zo hard als ik duwen kan. Het gevaarte geeft geen millimeter mee. Dan blijf ik  staan. Ik sluit mijn ogen en luister, maar het is stil. Ik luister, alsof mijn leven ervan afhangt. Dan hoor ik het, zwak maar vlakbij. O, zo dichtbij! TIK TIK TIK.
Ik pers me in de minuscule hoek, tussen de muur en de boekenkast. Met alle kracht die ik in me heb duw ik en tergend langzaam schuift de kast opzij. Een stukje van de muur wordt zichtbaar, en nog een stukje. En nog een stukje. Ik duw en duw en duw. Zweetdruppeltjes prikken en kriebelen, vertroebelen mijn zicht. Een laatste duw en de naakte muur toont zich, niet langer in staat tot verstoppertje spelen. Ik klop, eerst aarzelend en dan dwingend, waarna ik mijn oor tegen het afzichtelijke behang druk. Mijn adem stokt in mijn keel als mijn vermoeden middels een antwoordend getik wordt bevestigd. Ik bijt op het puntje van mijn duim, veeg het zweet van mijn voorhoofd en uit mijn ogen. Dan zet ik vier vastberaden stappen achteruit. Ik haal diep adem, neem een aanloop en stort me met beestachtige energie op de muur.