Ondergang

De verblindende duisternis maakte de nacht nog onvriendelijker. Angstaanjagend anders dan het bij daglicht ogen zou. Vlammen grepen genadeloos om zich heen, hoewel de warmte mijn liefde voor het vuur deed groeien. Het vormde bovendien een punt van hoop, waaraan ik mij tegen beter weten in vasthield. De kuil waarin ik mij bevond was niet diep, maar diep genoeg om mijn grootste angsten tot leven te brengen.
Ze boog zich over me heen. Haar lege ogen keken dwars door de verschijning die mijn naam droeg. Spreken kon ik niet, maar er gingen vele vragen door me heen. Vele gedachten, woorden en noodkreten, die niemand horen zou. Er was niemand. Geen mens waarmee ik het delen kon, niemand die het kon verzachten. Een onheilspellende glimlach. Mijn hart klopte in mijn keel. Angst had ik vele malen ervaren, maar niets kwam hier ook maar enigszins bij in de buurt. Dit was niet te beschrijven. Dat angst plaats kan maken voor overgave, had ik echter nooit ervaren. Toch gebeurde het. Stilte. Er was opeens stilte. Niets dan duisternis en rust. Vrede. Ik kon niets doen, al had ik dat besef lange tijd wanhopig genegeerd. Ik was machteloos, al had ik mezelf voorgehouden dat ik ontsnappen kon.
Ze glimlachte, alsof ze goedkeurend bekeek wat zich voor haar ogen afspeelde. Toen draaide ze zich om en verdween in de nacht. De nacht die mijn ondergang betekenen zou. Tergend langzaam zag ik het vuur op me afkomen, tot het de droge bladeren verslond en de duisternis voorgoed tot het verleden behoorde.
Net als ik.