Ongemerkt gelukkig

‘Meneer…’
Hij keek op. Verrast.
‘Zoekt u iets?’
‘Ja.’
Heftig knikkend bestudeerde hij de omgeving. Ik volgde zijn blik, maar vond niets dan wat achtergelaten afval. Hij schudde zijn hoofd en keek me hulpeloos aan.
‘Ik weet niet hoe het eruitziet…’
Ik knikte begrijpend, hoewel ik er niets van begreep. De man, zeker een jaar of zestig, ijsbeerde al geruime tijd door de straat. Zijn lange haren hingen vermoeid over zijn schouders, en ik had medelijden met de verwarde verschijning die zo hard zocht naar iets dat nogal onzichtbaar op mij overkwam.
‘Maar hoe zult u het dan vinden?’ vroeg ik. ‘Als u niet weet hoe het eruitziet…’
‘Dat is het probleem.’
Hij zweeg. Ik zweeg. Ongemakkelijke stilte.
‘Ik zal u maar met rust laten,’ mompelde ik uiteindelijk, niet wetend wat te doen.
‘Misschien weet ú hoe het eruitziet?’
‘Hoe zou ík dat moeten weten? U bent het tenslotte verloren…’
‘Nee.’
Hij friemelde aan zijn baard. ‘Ik heb het nooit in mijn bezit gehad, ziet u?’
‘Wat zoekt u dan?!’ vroeg ik, nu enigszins geagiteerd.
‘Geluk.’
Ongelovig keek ik op. ‘Pardon?’
‘Het schijnt te bestaan…’
Een teleurgestelde blik in zijn ogen.
‘Ik zoek het al vele jaren, tevergeefs. Wellicht is het een illusie.’
Hij haalde zijn schouders op en mijn korte neiging tot lachen verdween abrupt. Hoe bizar het ook op me overkwam, de man was pijnlijk serieus.
‘U hebt gelijk,’ zei ik na vele minuten van zwijgzaamheid.
We staarden naar de glinsterende tegels, die hulpeloos onder onze voeten lagen.
‘U zult het nergens vinden…’ fluisterde ik. ‘Het spijt me.’
‘Ik wist het wel.’
Hij keek me langdurig aan en knikte toen, plots glimlachend. Niet veel later gingen we ieder onze eigen weg en keek ik de man ontroerd na, terwijl hij met een zorgeloze tred opging in de duisternis.

Verder Bericht

Vorige Bericht

© 2018

Thema door Anders Norén

Visit Us On Linkedin