Palais de l’agité, of Jeannettes Paleis van de Hectiek (deel 1)

Daar, in het heuvelgebied dat in de verte lonkt, ontmoette ik haar. Jeannette Tibedeaux. Toen onze wegen kruisten was ze (zoals vrijwel altijd, ontdekte ik later) bezig in haar tuintje. God, wat genoot ze daarvan! Het was tuinieren of Chopin. De prachtige Bechstein die zij ooit van haar man kreeg, pronkte in een zeldzaam lege hoek in haar ruime vrijstaande woning. Gerard Delacroix was vele jaren geleden overleden, geheel plotseling. Hij was haar grote liefde. Nou ja, samen met Chopin, maar dat kon Gerard wel verkroppen. Hij was zelf ook zo gek op de prachtige melancholische klanken, die Jeannette als geen ander tot leven bracht op ‘haar Bechstein’.
Toen ik haar ontmoette was ik nog jong. Ik hoor het mezelf zeggen en ik besef dat dit nu eenmaal zo is. Ik was destijds nog jong. Inmiddels beginnen de jaartjes te tellen, maar ach, dat mag de pret niet drukken. Verder moeten we toch, nietwaar? Op het moment zelf ervaar je het in elk geval allemaal niet zo, maar als ik nu terugkijk is dat wel anders. Ik was een jonge vrouw, nog maar vierentwintig jaar. Zoekend. Onwetend.
Jeannette was al zestig, in mijn ogen verschrikkelijk oud. Het was een hartelijke vrouw, charmant en altijd klaar voor een goed gesprek of zo’n mop waarvan je het bijna in je broek deed. En ik had weinig met moppen, dus dat zegt wat! Ze lachte er zelf echter nog het hardst om, zelfs als ze de mop in kwestie al met menigeen had gedeeld. (En dat deed ze, heel vaak). Toen ik in het dorpje arriveerde had ik het compleet gehad. Ik dwaalde al uren en dagen rond, was hals over kop vertrokken uit Nederland. Ik moest weg, even bij alles vandaan. Opnieuw beginnen, dat wilde ik. Of een soort pauze misschien.
Hoe dan ook was ik al dagen onderweg, maar ik had vooralsnog geen idee van mijn bestemming. Lastig, als je op reis bent. Hoewel de verlichte schepsels onder ons waarschijnlijk zouden opmerken dat het de reis en niet de bestemming is die telt. Gelijk hebben ze, maar ik dwaalde vrij doelloos rond. Dat is even leuk, en misschien als je samen bent, maar ik was jong en alleen. Ik zocht mijn weg en die leek onvindbaar. De lol was er snel vanaf.
In een klein café bestelde ik koffie en een croissant. Mijn maag rommelde luidruchtig en mijn ogen deden pijn. Ik was moe, toe aan een paar dagen in bed met een goed boek. Ik had haar in eerste instantie niet opgemerkt: Jeannette. Ze zat in de hoek aan een gezellige ronde tafel. Een paar mensen om haar heen, eveneens op leeftijd. Ze lachten zo hard, dat ik hun aanwezigheid op den duur wel móest opmerken. Dat betekent niet dat ik direct fan was van deze luidruchtige kletsclub. Nee, ik probeerde een Tristram Shandy – het eigenaardige meesterwerkje van Sterne – te lezen. Heel even rust, een klein moment van vrede, zelfs dat was me blijkbaar niet gegund. Ik baalde enorm. Geïrriteerd verdronk ik in mijn boek, maar mijn aandacht kwam en ging en kwam en ging. Dus ik bestelde nog een koffie, en een broodje om mijn maag te troosten.
‘Bonjour,’ zei de forse dame met een ontwapenende glimlach.
Het was Jeannette, die zonder te vragen of het uitkwam naast mij neerstreek.
‘Parlez-vous Français?’
‘Non. English,’ reageerde ik kortaf.
Ik sprak een beetje Frans, maar ik had nu echt geen zin om mij in te spannen. Engels moest maar volstaan, en anders kon ze lekker iemand anders lastigvallen.
‘No problem!’ riep ze echter vrolijk. ‘Waar kom je vandaan?’’
‘Nederland.’
‘Beautiful!’
Oké, laat ik het nu maar vast toegeven: de vrolijkheid van Jeannette werkte aanstekelijk. Ik vergat mijn weemoedigheid, mijn irritatie verdween, en we raakten in gesprek. Ze vertelde me over haar Bechstein, over Gerard, hun leven in het dorp en haar ervaringen in de Tweede Wereldoorloog. Ik was onder de indruk, geschokt, en vol respect voor deze gezette dame. Duizenden gebeurtenissen hadden haar kunnen veranderen in een neerslachtig persoon, maar ze liet zich niet kisten. Door niets. Door niemand. Ik vond het knap. Bijna bovenaards, eigenlijk.
Toen de klok zeven uur sloeg stond Jeannette op.
‘Ik moet gaan. Mijn kat is ziek, hij heeft prikjes nodig. Suiker, weet je wel?’
Ze wuifde het weg en glimlachte.
‘Heb je een plek om te overnachten, meid? Een hotel? Vrienden in het dorp?’
‘Nee,’ gaf ik toe.
Ze knikte resoluut en greep me bij de arm.
‘Dan slaap je gezellig bij mij. Ik heb een mooie logeerkamer. Gerard heeft ‘m nog opgeknapt. Ik gebruik ‘m nooit, zie je? Dit is een uitgelezen kans. Je zult het prachtig vinden, meid!’
De momenten waarop ze niet sprak waren schaars, maar ik kon haar levenslustigheid waarderen. En, ik was simpelweg te moe om ertegenin te gaan. Arm in arm verlieten we het café. Het was het begin van een tijd die mijn leven zou veranderen. Voorgoed, zoals dat vaak gaat: in verhalen, en soms – zo ontdekte ik – in het echte leven.