Sathya

‘Wie schreef dit?’
Khyentse keek me glimlachend aan.
‘U,’ zei ik vol bewondering, terwijl ik met mijn vingers over het papier streek.
Hij keek zoekend om zich heen en grijnsde toen.
‘En wie las het?’
‘Ik.’
‘Las je het écht?’
Ik knikte wild. ‘Natuurlijk! Ik vind het een eer dat u dit met mij deelt…’
‘Het is niets, niets dan leegte,’ zei hij, terwijl hij naast me kwam zitten.
‘Hoe kunt u dat zeggen?’ fluisterde ik. ‘Het is prachtig en bovendien vind ik het ontzettend leerzaam.’
‘Waarom?’
Ik schudde mijn hoofd en zweeg een moment.
‘Het zet me aan het denken…’
‘Echt waar?’
Khyentse stond op en nam het vel papier uit mijn handen. Geluidloos liep hij naar de openhaard en gooide zijn werk in het vuur. Binnen luttele seconden was er niets meer over van de wijsheid die ik zojuist had mogen aanschouwen.
‘Waarom doet u dat!’ riep ik uit.
Hij kwam weer naast me zitten, legde zijn handen op zijn schoot en gebaarde me ernaar te kijken.
‘Wie schreef dit?’
‘Niemand, het zijn uw handen.’
Hij keek naar zijn handen en knikte. ‘Maar wie schreef het?’
‘Er is niets geschreven, dus er is geen schrijver.’
‘Prima, prima.’
Zijn blik ving de mijne op en hield die even vast.
‘Wie las het?’ vroeg hij toen.
Ik keek op, staarde vervolgens naar zijn handen en schudde mijn hoofd. ‘Niemand, want er is niets te lezen.’
Khyentse keek me enkele seconden zwijgend aan en stond toen op.
‘Prima.’
Hij vouwde zijn handen ineen en boog kort, waarna hij de ruimte verliet.