Silhouet van subversie

Londen, 21 januari 1791
Peinzend staarde hij uit het raam, waar de sombere realiteit hem onwerkelijk aandeed. Zwart waren de dagen, wankel de zekerheid die ooit zo zeker had geleken. Aantekeningen in boeken, de enige plek waar hij zijn gedachten onbestraft uiten kon, schreeuwden hem vanaf de bladzijden toe. Het was een geluidloze schreeuw, zoals hij die ook op straat hoorde. De stilte was niets dan een illusie, niets dan gevangenschap.
Zombies, zie ik… Mensen die nog lang niet bij het graf zijn, en desondanks leven alsof zij reeds tot het rijk der doden behoren. Omgebracht door onwetende geesten, dwazen: compleet gedesoriënteerd en vergiftigd door een chronische vlaag van krankzinnigheid. Alle hoop gericht op een moment dat vooralsnog niet bestaat, alle handelingen gericht op dat moment. Dwazen, verblind door waanzin, sturen de burger… Mensen die zonder pardon door fabrieken worden vervangen. Aan de kant gezet en vergeten door de maatschappij waarvoor zij zo hard werkten.
Niets dan leugens, illusies, zie ik. De illusie van zogenaamde vooruitgang, een vruchtbare toekomst, en een God die slechts door mensen gecreëerd kan zijn. Vuile handen trachten te restaureren wat zij vernietigden. Is dat liefde? Kan het liefde zijn? Men wordt op de knieën gedwongen, en vervolgens overeind geholpen. Het is waanzin, zeg ik. Waanzin! Waar onderdrukking afwezig is, is hulp onnodig. In een dergelijke wereld hoeft men niemand te redden. De vrucht die voortkomt uit giftige aarde zal bovendien nooit eetbaar zijn. Het zal slechts meer mensen ziek maken, meer levens bedreigen.
Hij staarde naar buiten, waar de nacht verborg wat het daglicht niet verdragen kon. Desondanks was het voelbaar. Het was voelbaar in een onrust die je de adem benam, in een stilte die een onverdraaglijke herrie voortbracht. Het was aanwezig, niet te ontkennen. Toch deed men alsof het er niet was. Alles met het oog op meer en beter, de toekomst: alsof die op deze manier überhaupt de moeite waard zou zijn.