Sìth

Daar zat je, op een verwaarloosd houten bankje aan de rand van het bos. Het was een sombere herfstdag, een donderdag die niemand zich zou herinneren. Bladeren en modder versierden de paden die mensenhanden in het eeuwenoude natuurgebied hadden geforceerd. Minstens twee keer was ik het bos al doorgeglibberd, meer uit rusteloosheid dan uit liefde voor de natuur. Toen zag ik je zitten, vredig verzonken in een verborgen wereld. Ik streek naast je neer en ademde de stilte in, die orde schepte in de chaos van akelige gedachten die mijn geest gijzelden.

Er was zeker een half uur voorbijgegaan voordat je opkeek. Verrast, bijna. Je groette mij. Jouw stem herinner ik me nog goed. Breekbaar, zacht… en toch vol kleur. Vol leven! Jouw woorden kwamen als een hymne bij mij binnen. Ze waren in elk opzicht vrij van geweld en ik schrok van die zachtheid, van de plotselinge overbodigheid van mijn secuur opgebouwde en altijd parate schild. Ik schrok, hoewel ik dat verborg. Je was immers een vreemde, iemand die naamloos zou voortbestaan; in elk geval in mijn wereld. Een fictieve naam, dat was een optie, maar ik gaf aan die mogelijkheid uiteindelijk geen gehoor. Het zou je tekortdoen, geen recht doen aan wat ik had mogen ervaren in de minuten die ik aan jouw zijde had doorgebracht.

 

Jij zat daar opeens naast me. Minutenlang was ik in gedachten geweest. Ik had je niet eens opgemerkt! Maar daar zat je. Jouw ogen schonken mij rust en jouw woorden troostten mij, al was jij je daarvan waarschijnlijk helemaal niet bewust. Ik voelde mijn hart – dat eerder die dag zowat uit mijn borst bonsde – in luttele seconden tot rust komen. 

Ik was op bezoek geweest bij mijn vader. Hij was al zo lang ziek… Overleed twee dagen later. Ik had zeker anderhalf uur door het bos gestruind voordat ik het bankje tegenkwam. God, wat was ik moe. Uitgeput werkelijk, door een tekort aan slaap, een teveel aan zorgen en een groeiende irritatie om mijn vermoeidheid en de emoties die van mij een zwak en ontroostbaar wrak maakten. De rust die als een ongrijpbaar schijnsel om jou heen hing, deed iets met mij. Het kneedde elk stukje hardheid in mij met zachte hand los. 

Het was een grauwe herfstdag, weet ik nog. Een dag die velen zich vast niet meer voor de geest kunnen halen. Jij waarschijnlijk ook niet. En al weet ik tot op de dag van vandaag niet wie je bent, hoe je leven eruitziet, en hoe je heet; ik noemde jou Sìth. Vrede.