Speelruimte (deel 3)

Ik bleef staan en realiseerde me dat ik nu echt tegen mezelf praatte. Gabriëlla keek op en grijnsde. Ook ik kon een glimlachje niet onderdrukken, hoewel ik dat wel probeerde.
‘Ben je nu klaar?’ vroeg ze met glinsterende oogjes.
‘Ja, dank je.’
‘Het was wel amusant hoor,’ zei ze.
‘Ah, fijn!’ merkte ik droogjes op. ‘Ik ben blij dat u mijn optreden kunt waarderen, beste dame. Dat verwarmt mijn hart en ziel, mijn kruin en wimpers, mijn vingertopjes en alle deprimerende gedachten in mijn hoofd. Kijk nu, volgens mij wordt de boom er zelfs vrolijk van!’
Ik schudde mijn hoofd.
‘Voor iemand die zo goed kan zwijgen, kun je ook een hoop onzin uitkramen.’
Ze stond op en liep weg.
‘Als je mee wilt, ga je gang,’ zei ze op geheimzinnige toon.
‘Waarheen?’
‘Maakt dat uit? Je hebt toch niets beters te doen.’
Haastig volgde ik Gabriëlla, die haar tempo verhoogde en mij een goedkeurend knikje cadeau deed. Ik bestudeerde haar onopvallend en had het vermoeden dat zij niet veel jonger was dan ik. Ze grabbelde in haar jaszak, toverde een elastiekje tevoorschijn en bond haar lage haren bijeen. ‘Ja, dat kan jij niet!’ grapte mijn gedachten. ‘Jij hebt geen haar op je hoofd. Waarom heb je het eigenlijk afgeschoren? Je lijkt net een oude vent. Ooit had je een volle bos haar, maar kennelijk wil je er niet graag goed uitzien. O, o, o…’
Ik schudde de gedachten van me af en keek om me heen. Hoewel ik vaak op het bankje aan de rand van het bos zat, was ik nog niet vaak echt in het bos geweest. Het symboliseerde een beetje de manier waarop ik leefde. Ik keek graag toe, maar deed weinig. Ik wilde heel veel, maar er kwam niet veel van. Alles van een afstandje, dat was zo’n beetje mijn levensmotto. Eigenlijk was dat niet altijd zo geweest, besefte ik, maar sommige dingen veranderen je. Ik had daar in de afgelopen tijd een beetje te veel van op mijn nietsvermoedende bord gekregen.
Nattigheid in mijn gezicht. Regen. Ik keek op en zag dat de zon ons had verlaten. De druppels namen spoedig in omvang toe, maar Gabriëlla trok zich er niets van aan. Dankbaar opende ik mijn paraplu en hield die boven mijn hoofd.
‘Als je er ook onder wilt…’ merkte ik aarzelend op.
Ze trok een vies gezicht.
‘Ik vind de regen leuk. Dat is één van mijn eigenaardigheden.’
Ik haalde mijn schouders op.
‘Waar gaan we eigenlijk naartoe? Kunnen we niet beter teruggaan, volgens mij komt er nog veel meer regen aan. Jij vindt dat dan wel leuk, maar ik kan wel leukere dingen verzinnen.’
‘Kom nou maar gewoon. Je kunt nog uren en dagen in de kroeg doorbrengen, of voor de televisie. Of in bed.’
‘Bed,’ mompelde ik.
‘Ah, ik hang hele dagen voor de televisie als ik me rot voel. Zo heeft iedereen iets, right?’
‘Ik ben niet altijd zo ongezellig hoor,’ zei ik.
‘Dat denk ik ook niet…’
‘Er is nogal veel gebeurd en…’ Ik zweeg.
‘Het is oké,’ fluisterde ze.
‘Waar gaan we heen?’
Ze nam de paraplu van me over en hield die boven onze hoofden.
‘Dat kan ik u helaas nog niet vertellen, beste heer. Het is een verrassing. Ik beloof dat u het prachtig zult vinden. Vrees niet, we zijn er bijna.’
Ze wees enkele meters voor zich uit.
‘Daar, achter dat vervallen gebouwtje, is mijn tweede favoriete plekje.’
‘Oké…’
Het kleine gebouw was vroeger een clubhuis geweest, wist ik. Mijn vader kwam er vaak en vertelde mij er veel over. Ik had nooit een goed contact met mijn vader gehad, want hij had het altijd veel te druk met zijn werk, dames, en avonden in de kroeg. Op de momenten dat hij mij echter vertelde over vroeger of over dingen die hem bezighielden, had ik altijd kortstondig het gevoel gehad dat we toch iets met elkaar deelden. Dat was belangrijk voor me, hoewel het nooit voldoende was geweest.
‘Is dit het?’ vroeg ik verbaasd.
Vol afschuw nam ik de chaos van vervallen meubelstukken, peuken, lege blikjes en andere rotzooi in me op.
‘Wat een puinhoop.’
‘Dat gebouwtje, daar, was vroeger een clubhuis. Vroeger schijnt dit een heel leuk plekje geweest te zijn, maar zoals je ziet is er niet veel meer van over. Nu vind je er slechts resten van wat ooit was, maar ik vind dat wel iets hebben…’
Ze keek op en glimlachte.
‘Maar dit is niet wat ik bedoelde.’
Ik haalde opgelucht adem en Gabriëlla wees op een heuvel, die zich grotendeels verborg achter de oude eikenbomen.
‘Dáár is mijn favoriete plekje.’
‘Ik ben hier nog nooit geweest,’ zei ik, ‘maar mijn vader kwam hier graag.’