Stof en wind

De deur stond op een kier en een onbehaaglijk gevoel bekroop me nog voordat ik er erg in had. Toen ik het opmerkte won het aan kracht en omvang, en groeide het uit tot een spook van ongekend formaat. Hoewel ik me eigenlijk wilde omdraaien, om weg te vluchten en nooit meer om te kijken, gaf ik de deur een zacht duwtje en nam ik van grote afstand waar hoe mijn aardse verschijning aarzelend het huis betrad. Op de normaliter vlekkeloze samenwerking tussen lichaam en geest kon ik nu niet vertrouwen. Dat was duidelijk.
‘Silas?’ fluisterde ik.
Hoewel ik niet volkomen overtuigd was van het bestaan van intuïtie – aangezien mensen angstige betweters zijn, die zichzelf graag achteraf wijsmaken dat ze ‘het’ al zagen aankomen – voelde ik dat er iets niet in de haak was. Silas had de straten van onze vervallen stad, ons thuis, al vele jaren niet meer betreden. Zijn angst, zijn drang naar controle en zekerheid, maakte dat hij voor een leven in gevangenschap koos.  Ik kende Silas bovendien beter dan ik mezelf kende. Als hij alleen al had overwogen om een voet buiten de deur te zetten, was ik daarvan als eerste op de hoogte geweest Of buurvrouw Annette, een goedlachse dame die minstens drie keer per dag op de koffie kwam.
De houten vloer kraakte onder mijn sneakers, die zo zacht als zij konden over het hout schuifelden. In eerste instantie was de duisternis sterker dan mijn zicht, maar mijn ogen hervonden hun kracht. Ik passeerde de badkamer, die zich in een verloren hoekje vlakbij de woonkamer bevond. Alles keurig opgeruimd, zoals altijd. Schone handdoeken in de open kast en een opvallend grote voorraad zeep en shampoo. Jasmijn, wist ik. De geur die mij sinds vele jaren steevast aan Silas deed denken. Ik verliet de badkamer. Een hard geluid trok mijn aandacht. Een deur. De voordeur. Ik stond abrupt stil, vlakbij de trap die naar de kleine bovenruimte leidde.
Zware voetstappen kwamen snel dichterbij en zonder nadenken haastte ik me de smalle trap op. Het hout jammerde onder mijn voeten. Ik hapte naar adem. De voetstappen waren nog altijd hoorbaar en naderden snel. Ze kwamen onderaan de trap tot stilstand. De volle maan scheen moeizaam door het stoffige raampje. Stapels kranten en boeken sierden de vloer en de wanden, bijna tot aan het plafond. In een wanhopige poging om me te verstoppen, stootte ik een van de ongekend hoge stapels om. Het ritselde, suisde, en kwam harder dan verwacht op de grond neer. Ik was het leesvoer voorgegaan en lag languit op de kale vloer, bedolven onder werken die ik nooit lezen zou.
De voetstappen haastten zich de trap op en de gedachte aan een confrontatie benam me de adem. Het duizelde me. Voordat ik er erg in had trok mijn geest zich terug uit mijn lichaam. De wind nam me mee. Slechts een levenloos omhulsel bleef achter. En Annette, die binnenstormde en bezorgd naast mij neerknielde. Ze had me zien aankomen en kwam me vertellen dat Silas plotseling in het ziekenhuis was opgenomen. Het was niet heel ernstig, dat niet, zou ik later horen. Het was niet heel ernstig, in tegenstelling tot de spoken die mijn bovenkamer bewoonden.