Sunyata

Bedenkelijk tuurde ze de leegte in, waar vaak de meest prachtige figuren verschenen. Nu bleef het stil. ‘Doodstil’, zoals men weleens zegt. Het was een veelbelovende leegte, die je druk doet fantaseren over alles wat vooralsnog onzichtbaar is.
‘Hallo,’ klonk het naast haar.
Ze keek op. Een oude man leunde op zijn wandelstok.
‘Vind je het erg als ik hier even uitrust?’
‘Nee, natuurlijk niet,’ antwoordde ze.
Voorzichtig ging hij naast haar op de grote boomstam zitten. De stam lag er jaren. Al zo lang als ze zich kon herinneren.
‘Zit je hier liever even alleen?’ vroeg de man, die haar plots bedenkelijk bestudeerde.
‘Nee hoor. Nee, het spijt me. Ik dacht na.’
‘Ah, een veelvoorkomend menselijk probleem.’
‘Probleem?’
Ze keek op. De man knikte.
‘Ik bedacht me dat leegte in essentie niets is. Het is vormloos. En het is de afwezigheid van vorm die we leegte noemen. Eigenaardig, vind ik.’
‘Uitzonderlijk.’
Een opgewekte glimlach sierde zijn gezicht.
‘Het doet je gissen naar de potentiële aanwezigheid… naar de vorm die de leegte zal vullen. En op dat moment van gissen manifesteert het zich eigenlijk al in de werkelijkheid. Je brengt het tot leven, gewoon door eraan te denken…’
Ze keek op. De oude man was verdwenen, of misschien wel nooit aanwezig geweest. Alleen de leegte was er, en een veelbelovende glimp van wat wellicht nog komen ging.