Tot het bittere eind

Met één gebaar brengt Fionn zijn krijgers in beweging. Hun witte haren en indrukwekkende tatoeages imponeren en schrikken af. Het transformeert de jonge mannen tot bovenaardse vechters. Ze zijn onbevreesd en gefocust, en het ergste van alles: tot in iedere vezel bereid te sterven. Hoe machtig Fionn is, weet ik maar al te goed. Maar hij is niet langer onverslaanbaar, want arrogantie en overmoed maakten van zijn kracht een zwakte. Hier en nu eindigt het, dat is zeker. Het galmt door de vallei.
‘Fíacha, laat je zien!’
‘Jij eerst, Mac Cumhaill. Kom tevoorschijn en ik onthoofd je!’ roept mijn vader vol vuur.
Fionn lacht een bulderende lach.
‘Cairbre? Jij dwaas! Je hebt lef om je gezicht hier te tonen. Je weet dat ik je afmaak als ik de kans krijg, niet? En dat ik die kans hier, vandaag, krijg… is een feit.’
‘Het einde is nabij, Fionn!’ roep ik. ‘Geloof het! Vrees het!’
Zij hebben hun reputatie, realiseer ik me, maar wij hebben een leger van ongekend formaat.

Lichamen bedekken de aarde. Bloed, waar ik ook kijk. Stank. Mensen. Chaos. De wapens jagen door, steken, slaan en snijden. Een kreet trekt mijn aandacht, maakt dat ik als aan de grond genageld blijf staan. Ik knipper met mijn ogen, maar de realiteit is onverbiddelijk.
‘Vader!’ schreeuw ik, met een stem die in niets op de mijne lijkt.
Het genoegen waarmee Oscar – befaamd strijder en kleinzoon van mijn vaders grootste vijand – het resultaat in zich opneemt is, goddank, van korte duur. Ook hij zakt ineen, iets wat Fionn niet ontgaat. Furieus maait hij alles en iedereen van zijn pad, waarna hij naast het ontzielde lichaam neerknielt.
Glaine ár gcroí! Neart ár ngéag! Beart de réir ár mbriathar!’ brult hij.
Zeldzame tranen stromen over zijn wangen.
‘Beart de réir ár mbriathar,’  herhaalt mijn vader, die nauwelijks nog tot spreken in staat is.
Ik knik.
‘Ik zal niet rusten, vader. Ik ga door, zoals u mij leerde, tot het bittere eind.’
Ontzet kijkt hij me aan. Zijn ogen worden groter en groter. Ik lees er angst in, allesoverheersende angst. Geschokt aanschouw ik een kwetsbaarheid die ik nooit eerder in mijn vader heb aangetroffen, maar een ongekende pijnscheut verbrijzelt mijn gedachten. Ze vallen uiteen. De snijdende, misselijkmakende pijn overheerst alles. Bloed gutst uit de wond. Ik vloek, vecht tegen de werkelijkheid. Machteloos kijk ik op. Fionn werpt me een knikje toe, draait zich om en verdwijnt.
‘Tot het bittere eind,’ fluister ik. ‘T-tot het bittere eind.’