Tussen de regels door

Hij legde zijn pen op het papier en knikte. Dit was het dan: zijn levenswerk. Zijn magnum opus. Dit was wat hij had weten vast te leggen, om het te bewaren voor tijden die nog komen gingen en het te delen met mensen die nog geboren moesten worden…

Liefkozend gleed zijn door nicotine vergeelde wijsvinger over zijn gelukspen, zoals hij het plastic gevalletje uit de plaatselijke boekhandel noemde. “Negenennegentig cent en een hoop lol!” had hij gezegd toen hij zijn nieuwe kameraad presenteerde. Dat geluk in de kleine dingen des levens zat, dat hoefde je hem niet te vertellen.

De stakker.

Even leek het decor bevroren. Toen knikte hij opnieuw, waarna hij de eikenhouten stoel waarop hij steevast zat naar achteren schoof, leunend op het zware tafelblad overeind kwam, en in opperste concentratie opstond. Het papier waarvan hij wegstrompelde bleef verloren achter in de schaduw van de naderende nacht. Leeg, ja. Zag je dat aankomen? 

Hij niet. O nee! Als iemand hem dát van tevoren zou hebben gezegd dan had hij zijn bekende bulderende lach ten gehore gebracht. Zeker weten. Maar geen woord schonk hij de pagina die naakt en gewillig voor hem lag. Alles van betekenis ging verloren in de nacht. Het licht werd opgeslokt. En nu hij de werkelijkheid – nee, zíjn werkelijkheid – trachtte te vangen in woorden, ontglipte de essentie hem. Wéér! Als zand stroomde het weg; te vlug voor zijn tot rust gemaande eenentachtigjarige vingers. Zo ook het leven, dat hem soms verleidde tot denken dat ze haar grootste geheimen prijsgeven zou. Aan hem! Een simpele oude zak met een gelukspen. Van plastic!

Toch, soms dacht hij tot de essentie door te dringen. O, wat was de kater enorm wanneer hij besefte dat hij er weer was ingetuind.

Tja, en nu?
Het papier is leeg…

Of, wacht!

Echt leeg is het natuurlijk niet. Vele woorden dansten over het verkleurde blad. Ze werden niet daadwerkelijk op het papier geplant, maar toch… in essentie waren ze al aanwezig. Bijna vastgelegd. En wat te denken van de aanraking van zijn gedreven rechterhand, die veelal sneller wilde schrijven dan hij denken kon, de fijne punt van zijn gelukspen – slechts millimeters verwijderd van de materialisatie van de uit zijn steeds vaker verstrooide brein afkomstige flarden – en de warmte van zijn inspanningen; parelend van voorhoofd en hand, op het papier?

Nee, het was niet leeg. Die leegte was een illusie, zoals ook het idee dat wat zijn leven werkelijk kenmerkte zich zou laten vastleggen op een verkleurd velletje.

(En al was dat zo… hoe arrogant was het – besefte hij – te denken dat dat fragiele velletje papier de harde klappen zou overleven die werden uitgedeeld door de tijd en door de verwaarlozing die zo onlosmakelijk is verbonden met het verstrijken der dagen?)

Het was goed zo, constateerde hij terwijl hij door het keukenraam de duisternis in keek. Het was goed. De essentie ongrijpbaar, ja, daarin had hij zich genadeloos vergist. Maar wat er werkelijk toe deed had hij gevonden. Beter laat dan nooit, toch? Het was overal, in en om hem heen. Het zat in al die chaotische deeltjes die hij nooit vastgrijpen en uitpluizen kon en die hem zo fascineerden… én frustreerden, soms.

Beangstigden, ja, dat ook.

Zijn meesterwerk – ontdekte hij in de diepte en verstilde chaos van de door de volle maan verlichtte nacht – was tot leven gebracht op de dag dat zijn bestaan begon. Het was aanwezig in alle imperfecties die zijn wezen, leven en handelen doordrongen. Zou hij selecteren, schrijven, schrappen en perfectioneren, dan zou het leven sterven. De rijkdom van ogenschijnlijk onbelangrijke fragmentjes zou worden uitgewist. Wat dan overbleef, als er al iets overbleef, zou waardeloos zijn. Absoluut waardeloos.

Zijn blik rustte op de regendruppels die over het vuile raam gleden. Het was goed zo, constateerde hij. Hij voelde het in kruin en tenen, in zijn hele lichaam; het lijf dat, net als het papier, zichtbaar was getekend door de tijd. Hij plantte het dankbaar op een van de comfortabele leren keukenstoelen en genoot van zijn kopje earlgreythee.

Ja. Verdomd. Het was goed.