Uitvlucht (deel 1)

Het was donderdag toen ik in Eidfjord arriveerde. Het prachtige Noorse plaatsje schitterde in de middagzon en ik keek mijn ogen uit. De lucht leek hier schoner dan ik gewend was en ik had nog nooit oog in oog met een fjord gestaan. Het water glinsterde en in de verte zag ik de houten huisjes liggen. Dit zou ik nooit meer vergeten. Was het niet vanwege de betoverende natuur, dan wel vanwege de reden van mijn bezoek.
Ik kon niet langer vluchten voor de realiteit, wist ik. Ik probeerde het lange tijd en vroeger hielp het me door moeilijke tijden heen, maar sinds een paar maanden ging het bergafwaarts. Mijn paniekaanvallen keerden terug, mijn werk stagneerde en ik had mijn relatie met Rob opnieuw verbroken. Waarom wist ik niet, maar alles was beter dan het benauwde gevoel dat me dagelijks achtervolgde. Nu had ik niets meer, door mijn eigen toedoen. Ik kon me niet binden, durfde niet te vertrouwen op een ander en leefde in voortdurende angst. Ik werkte bovendien al twee jaar aan een dichtbundel die ik nog altijd niet voltooid had. Mijn leven had een dieptepunt bereikt en Eidfjord was mijn enige optie.
Ik haalde het plattegrondje uit mijn jaszak en wandelde over een smal paadje, dat mij ongemerkt steeds iets hoger bracht. Het pension vond ik algauw en het lag op een schitterende locatie, in de bergen van Eidfjord. Het lag een stukje bij de andere huizen vandaan en het beschilderde hout leek nog in perfecte staat te zijn. De grote houten veranda straalde rust en warmte uit. Nerveus pakte ik mijn notitieboekje uit mijn tas en staarde naar de foto die mij nog altijd een onbehaaglijk gevoel bezorgde.
Even dacht ik terug aan de jonge moeder en haar dochtertje, die ik in het vliegtuig ontmoette. Mijn vliegangst maakte dat ik niet echt kon genieten van de prachtige wolkendeken, maar het kleine meisje staarde onafgebroken uit het raam en vertelde me steeds opgetogen wat ze zag. In haar wereld konden figuren uit wolken ontstaan en was elke stap die zij zette een nieuwe ervaring, een avontuur. Ik bewonderde haar open houding. In haar kleine wereldje was nog ruimte voor ontvankelijkheid en onschuld. In mijn zorgvuldig opgebouwde wereld was dat uitgesloten.
Ik haalde diep adem en ging het pension binnen. De eigenaar ontmoette ik direct bij binnenkomst. Het was een aantrekkelijke man van een jaar of dertig. Hij bleek Nederlands te zijn, had kort donker haar en droeg een eenvoudige spijkerbroek en een simpele donkerbruine trui met capuchon.
“Dus je bent van plan hier wel even te blijven?’ vroeg hij.
Hij gebaarde me plaats te nemen in een van de comfortabele stoelen op de veranda.
Ik knikte. “Iemand vertelde me over deze plek…”
Hij schonk twee koppen thee in en gaf me een beker aan. “Het is hier fantastisch.”
“Hoe lang heb je dit pension al?”
“Zes jaar,” antwoordde hij. “Het was mijn droom.”
Bewonderend keek ik hem aan en warmde mijn handen aan de kop thee.
“Het lijkt me geweldig om je dagen op zo’n plek door te brengen,” zei ik. “Ik ben al een tijdje op zoek naar antwoorden en dit is de enige plek waar ik ze misschien zal vinden. Bovendien zal deze omgeving me goed doen, dat weet ik zeker…”
Hij knikte begrijpend, maar vroeg me niets. Eigenlijk vond ik dat ook wel fijn, al had ik zijn hulp nodig bij het vinden van mijn antwoorden.
“Heeft het pension veel kamers?” vroeg ik toen. “Het oogt niet heel groot namelijk.”
“Het heeft zeven kamers en dat is vrij weinig. Maar als alle kamers vol zitten, heb ik mijn handen er vol aan. Meer kan ik niet alleen.”
Ik knikte begrijpend en dronk wat thee.
“Maar wat mij betreft hoeft het ook niet groter te zijn. Ik vind het mooi zoals het is. Dit is ook wat ik altijd in gedachten had. Een klein pension waarin ik zelf alle controle heb. Ik wil het ook persoonlijk houden, de gasten zelf ontvangen en van dienst zijn.”
“Wat een mooie gedachte.”
“Misschien wil je je zo even opfrissen of wat tijd voor jezelf,” zei hij plotseling, “dus ik zal je zo even je kamer wijzen.”
“Dat zou heel fijn zijn,” antwoordde ik dankbaar. “Is de laatste kamer vrij? Nummer zeven?”
Pete knikte en ging me voor naar binnen.
“Je moet deze trap op. Er liggen al handdoeken en beddengoed. Als je iets nodig hebt, wat dan ook, geef je maar een gil.”
“Dankje,” mompelde ik en liep de trap op, die me naar de bovenverdieping leidde.
Aarzelend stak ik de sleutel in het slot en opende de deur. De kamer was klein maar had grote ramen. Het was er licht en fris. Ik liep naar het bed en streek met mijn hand over de zachte stof van het beddengoed. Ik zette mijn tas neer en keek om me heen.
“Dus hier was je al die tijd…” fluisterde ik.
Ik draaide me om en verliet de kamer. Ik was er nog niet aan toe om alleen te zijn. Zuchtend liet ik me weer in de gemakkelijke stoel op de veranda zakken. De wind blies zachtjes langs mijn wangen en ik rook de geur van verse koffie.
“Sarah…” hoorde ik plots naast me.
Pete stond in de deuropening en stak een sigaret op. “Alles goed met je?”
“Ja.”
“Wil je iets eten?”
Ik schudde mijn hoofd.
“Wil je me vertellen waarom je hier bent?” vroeg hij toen. “Je had het over antwoorden…”
“Ja, dat klopt.”
Aarzelend keek ik hem aan een streek nerveus met mijn hand over mijn spijkerbroek. De houten veranda voelde plotseling koud aan onder mijn blote voeten en ik voelde me gevangen in de gedachten die mijn hoofd vulden.
“De belangrijkste reden is mijn moeder…” begon ik een slikte nerveus. “Ze overleed vijf maanden geleden. Ik ben langzaam aan haar spullen gaan uitzoeken en ik vond brieven.”
Nerveus friemelde ik aan mijn spijkerbroek. “De brieven waren aan mijn moeder gericht en geschreven door een man die ik niet ken. Ze heeft me er nooit iets over gezegd, maar ik heb het idee dat ze iets met hem had…”
“Dat lijkt me een vreemde ontdekking,” zei hij.
Ik knikte. “Mijn moeder is hier geweest, in dit pension, kort voor ze overleed.”
“En je vraagt je af wie hij was?” vroeg Pete een glimlachte spijtig.
“Precies. Daarnaast is mijn hele leven een chaos, op dit moment. Mijn tweede dichtbundel zou worden uitgegeven, maar daar zijn een hoop problemen mee…”
Ik sloeg mijn handen voor mijn ogen. “Ik heb even wat tijd nodig. Ik moet gewoon wat dingen voor mezelf op een rijtje zetten en bekijken wat ik werkelijk wil met mijn leven. Ik realiseer me ook pas sinds kort dat ik nooit echt een plek heb ingenomen. Ik speel een soort eeuwige bijrol in het toneelspel dat mijn leven is. Het lijkt soms of ik geen persoon ben, geen identiteit heb en slechts een schaduw ben. Ik leef mijn leven op een soort automatische piloot…”
Pete knikte begrijpend. “Ik denk dat veel mensen op die manier leven. Je bent je er in ieder geval van bewust, dat is toch een goede start?”
Hij lachte me bemoedigend toe. “Ik moet nog wat boodschappen doen, heb je zin om mee te gaan?”
Ik knikte verrast. “Graag!”
Hij stond op en ik volgde hem haastig naar zijn auto, een bruine Ford die bijna overleden leek te zijn.
“Brengt dat ding ons wel verder dan de brug verderop?”
“Natuurlijk!” riep Pete onbezorgd. “Schijn bedriegt hoor, deze dame heeft al flink wat kilometertjes gereden, maar ze doet haar werk nog altijd prima!”
Opgelucht zakte ik onderuit in de comfortabele passagiersstoel en staarde uit het raam. Ondanks dat ik hier pas kort was, voelde ik me thuis in Eidfjord. Ik wist zeker dat mijn moeder genoten had van deze plek. Het schitterende uitzicht trok mijn aandacht. Het uitgestrekte groene landschap en de enorme bergen in de verte overweldigden me.
“Mooi hè?’ haakte Pete in op mijn stilte. “Ik verbaas me nog elke dag over de schoonheid van deze plek en ik vind het geweldig om te zien wat het met toeristen doet. Het is overweldigend…”
“Dat is het zeker. Hier ervaar je dat je als mens heel kwetsbaar bent,” mompelde ik. “De natuur is veel sterker, maar dat heb ik nooit eerder zo ervaren.”
We concentreerden ons op de weg en de stilte keerde terug, totdat ik die besloot te verbreken.
“Pete…” begon ik aarzelend.
Ik haalde een foto uit mijn portemonnee. “Herinner jij je mijn moeder?”
Hij pakte de foto aan en liet zijn andere hand op het stuur rusten. “Hoe heette ze ook alweer?”
“Helga,” zei ik, “en de man waarmee ze hier was heette volgens de brieven Mathias. Mathias Holtekjær?”
Wat ongeduldig keek ik toe hoe Pete de auto in een smal winkelstraatje parkeerde. Ik wachtte op het moment dat hij iets zou gaan zeggen. Het met kinderkopjes betegelde straatje lag er wat verlaten bij en kleurde donker door de motregen.
“Ik herinner me Helga nog wel,” zei hij. “Ik herinner me haar stralende ogen.”
Wat ongemakkelijk keek ik hem aan. Mijn moeder was gelukkig geweest, met een andere man dan mijn vader. Dat gaf me een onbehaagelijk gevoel.
“Ik vind het zo vreemd, want ik herinner me dat ze Mathias nog helemaal niet kende. Ze leerde hem hier kennen en arriveerde hier ook alleen,” ging Pete verder.
“Ja?”
Hij knikte heftig en stak een sigaret op. “Ze kwam hier alleen aan en zou anderhalve week blijven. Naar mijn weten arriveerde Mathias drie dagen later. Uiteindelijk bleef ze hier langer dan de bedoeling was.”
“Een maand…” fluisterde ik.
“Veel meer kan ik je er niet over vertellen Sarah, ik weet alleen dat ze gelukkig op me overkwam. Mathias kwam hier trouwens elk jaar voor een aantal weken, maar dit jaar komt hij niet. Ik heb zijn telefoonnummer wel, als je er meer over wilt weten kun je hem eens opbellen. Hij woont in Odda, dus als je nog een poosje in Noorwegen blijft kun je hem misschien opzoeken. Het is ongeveer een uur rijden, hier vandaan.”
Stilletjes volgde ik Pete naar een kleine supermarkt aan het eind van de straat. Er gingen vele gedachten door mijn hoofd en ik probeerde ze te verdrijven, maar het beeld van mijn moeder en die onbekende man verdwenen niet. Volgens Pete was ze gelukkig geweest tijdens haar verblijf in het pension, en dat terwijl ze toen al maanden ziek was. Kennelijk maakte deze man haar ondanks haar ziekte gelukkiger dan ze in de vele jaren daarvoor was geweest. Ik had mijn moeder niet vaak zien stralen, bedacht ik me spijtig. Dat was iets wat ik graag nog had willen zien voordat ze overleed.
“Ik vind het een vreemd gevoel dat mijn moeder nog zo’n gelukkige periode heeft gehad, maar daar nooit iets over heeft gezegd,” zei ik zacht en greep wat pakken melk uit het schap.
Pete knikte en schudde toen zijn hoofd. “Ik vind het toch iets aparts, die band tussen ouders en kinderen. We denken elkaar vaak zo goed te kennen, maar ik heb het idee dat er meestal een heel hoop dingen zijn waarvan we niets weten. Dat geldt zowel voor ouders als voor kinderen. Dat lampje ging bij mij branden toen mijn vader overleed. Het is nu vijf jaar geleden en nog steeds doet het me pijn te merken hoeveel ik me nog afvraag. Er zijn zoveel dingen die ik hem nog had willen vragen, zoveel dingen die ik zou willen weten.”
“Ja, dat bedoel ik,” zei ik, “en dat terwijl ik toch het idee had dat mijn moeder en ik zo’n goede band hadden. Ik dacht alles van haar te weten en nu blijkt dat een leugen te zijn.”
Wat verbaasd keek Pete me aan en duwde de winkelwagen voor zich uit.
“Denk je dat echt?”
“Ja, ze heeft die hele periode verborgen gehouden! Voor mijn vader, maar dat is een ander verhaal; ze waren praktisch uit elkaar in die tijd, voor de zoveelste keer. Ze hadden dagelijks ruzie. Mijn vader kon de druk van haar ziekte niet goed aan en mijn moeder werd steeds afstandelijker.”
Ik zuchtte. “Ik snap gewoon niet dat ze het voor mij verborg. Als we werkelijk zo’n goede band hadden, dan zou ze het met me delen. Maar ze koos ervoor het voor zichzelf te houden.”
Pete keek me bedenkelijk aan. “Misschien overviel het haar ook allemaal en wilde ze niemand verdriet doen. Ik bedoel, ik weet niet hoe het is wanneer je nog maar korte tijd te leven hebt en je je daarvan bewust bent. Ik weet niet wat dat met me zou doen, maar ik weet wel dat ik op een zo prettig mogelijke manier afscheid zou willen nemen van de mensen waarvan ik houd. Als mij iets dergelijks zou overkomen, zou ik wellicht ook niet het risico nemen om pijn en verdriet aan te richten.”
Ik voelde tranen in mijn ogen branden. “Dat kan wel zo zijn,’ antwoordde ik wat geïrriteerd, ‘maar hoe kun je verklaren dat ze een maand doorbracht met een man die ze net kende, terwijl er thuis drie mensen op haar zaten te wachten? Drie mensen die zich dagelijks zorgen om haar maakten en uitkeken haar terugkomst, omdat ze ook nog wat tijd met haar wilden doorbrengen voor het te laat was.”
“Ik weet het niet Sarah…’
We reden de kar naar de kassa en begaven ons weer richting het pension. Mijn stem leek te zijn verdwenen, maar dat veranderde toen Pete tevoorscheen kwam met het telefoonnummer van Mathias. Ik belde hem direct op en maakte een afspraak voor de volgende dag, hoewel iets in mij zei dat ik daar misschien wel helemaal niet klaar voor was.