Verlangend naar Lethe

Dagen zat ik op de grond in het vochtige, onbarmhartige onderkomen waar alleen de dood mij vergezelde. Ik voelde zijn hete adem in mijn nek. Vlakbij, o, hij was zo dichtbij, maar verloste mij niet uit mijn lijden. Hoeveel dagen ik hier zat, wist ik niet. Ik was de tel kwijtgeraakt. Was ik de rest ook maar verloren! De Lethe, ik kon haar zien… Voelen! Het water, dichtbij maar niet drinkbaar. Een fata morgana, vooralsnog. Ameles potamos. O, wat was ze prachtig!
In de hoek van de ruimte waarin ik mij bevond, een meter of vijf bij mij vandaan, stond een kandelaar met daarin drie kaarsen. Desondanks nauwelijks licht, en warmte al helemaal niet. De half vergane houten vloer waarop mijn omhulsel rustte, kreunde en zuchtte; leed zichtbaar onder mijn aanwezigheid. Ikzelf ook. Veel meer kon ik niet verdragen, voelde ik, hoewel ik dat al menig keer had gedacht.
Elke dag verscheen ze, de vrouw die mij minuscule hoeveelheden water en brood voerde. Alsof ze mij op dat demonische randje trachtte te houden; net niet dood, maar verre van ‘in leven’. Een deur in de verte kraakte en piepte dan. Een tik, tik, tik volgde. Meestal snel, soms langzamer. Seconden, gevoelsmatig eeuwig durende momenten waarin zij als in slow motion naderde en ik slechts kon denken aan wat ze mij dit keer wellicht zou aandoen. Deze seconden slachtten mijn laatste restjes kracht. En de manier waarop ze me aankeek… Geen moment van wegkijken. Geen glimlach, geen haat. Een goedkeurende leegte, als zoiets bestaat.
Alles deed me zeer. Mijn keel was kurkdroog, mijn lippen gebarsten. Slikken lukte amper. Ik rilde onophoudelijk en schold op de dood, die kennelijk liever opdook waar hij het minst gewenst was. Praten deed ik niet. Niet meer. Dat had ik snel afgeleerd. De littekens op mijn armen en benen toonden alle keren dat mijn ego het won, momenten waarop mijn onwetendheid hoogtij vierde en ik nog geloofde dat er een eind aan de nachtmerrie komen zou. Dat moment passeerde en stierf een gewelddadige dood. Ik bleef achter, alleen in de gitzwarte werkelijkheid.
Haar ogen verankerden zich in de mijne. Wegkijken was geen optie, wist ik inmiddels. Een slecht verborgen glimlach. Een opgetrokken wenkbrauw.
‘Gaat het?’ Het klonk bijna gemeend.
Bevroren was mijn lichaam, mijn geest. Ik keek, maar zag niets. Niet echt althans. Er lag niet langer vuur in mijn blik. Geen afkeer of woede. Zelfs geen verlangen naar antwoorden meer.
‘Kom,’ zei ze.
Ze wriemelde kort in de plastic tas die ze had meegebracht. Een stanleymes. Ik dook ineen, maar er gebeurde niets dit keer. Aarzelend keek ik op en zag hoe ze het inmiddels roodgekleurde touw, dat mijn polsen pijnlijk bijeen bond, door sneed. Haar handen waren zacht. Warm. Haar aanraking vriendelijk, liefdevol bijna. Ontzet keek ik toe. Mijn handen tintelden. Trilden. Voelden door en door koud aan. Ze wreef en blies ze warm, vele seconden achtereen. Haar adem kriebelde op mijn huid, gemeen zacht. Misselijkmakend teder.
‘Beter zo?’ vroeg ze.
Ik rilde nog altijd, staarde de leegte in. Maar die bood ruimte voor verwarring, verder niets. Levenloos bestond ik, een kloppend hart in de zwarte nacht. Onvrijwillig in leven, maar ‘levend’ al lang niet meer. Dagen zat ik op de grond in het vochtige, onbarmhartige onderkomen. Ver, ver weg van de Lethe, die mij bevrijden zou.