Waterslaaf

Ze had de vijfde zon ter aarde laten storten. Meedogenloos uiteengespat, bloedend in het zand. Galma Mora Tinariana Gorme. Huiveringwekkend was haar lach, die woest op de wind meedeinde. Heel Teotihuacán kleurde grijs terwijl mijn hart naar diepere diepten zonk dan ik ooit had leren kennen. We vluchtten de grot in, waar angstige ogen in de ongrijpbare verte staarden, moedige monden vergelding beloofden en handen andere handen vasthielden in een vergeefs zoeken naar houvast. Woorden echoden door de beklemmende ruimte waar ademhalen, ondanks de kou, moeilijker en moeilijker werd.
Ignacio probeerde de boel te bedaren. Hij was een geboren leider die zijn overredingskracht nooit was verloren. Tweeëntachtig jaar inmiddels, maar tot op heden nog altijd in staat om werkelijk desastreuze situaties te voorkomen. Mijn blik danste rond, maar het was geen sierlijke dans die ik danste. Panisch waren mijn passen, vluchtig de adempauzes. Zola, alleen zij bracht mij een kortstondig moment van ogenschijnlijke rust. Haar lange haren hingen verloren over haar schouders en langs haar door kou dieproze gekleurde wangen. Heel even keek ze op, sloot haar ogen een seconde – als een knikje – en weg was de aanraking van haar blik.
Ik wendde me tot Izek, die ineengedoken naast me zat. Allen eerden we de machtige Tlaloc, die het land vruchtbaar hield. Maar o, hoe we de in grotten schuilende god tegelijkertijd vreesden. Zeker Izek, die meer dan eens werd getroffen door een mysterieuze ziekte die men toeschreef aan Tlaloc.
‘Maak je geen zorgen,’ zei ik, ‘Ignacio redt ons hier wel uit.’
‘Geloof je dat?’
Ik knikte, ondanks wat ik dacht. Hij wreef in zijn ogen en schudde zijn hoofd.
‘Ik niet, Jarini. Niet meer.’
Hij meende het, zag ik, en zijn verslagenheid trof me.
‘Hoe kun je dat zeggen?’ fluisterde ik. ‘Wat hebben we zonder hoop?’
Een sarcastisch gegrinnik ontsnapte tussen zijn opeengeklemde lippen door. ‘Evenveel als mét hoop, vriend, alleen zal de realiteit zwarter zijn. Pijnlijk illusieloos.’
Hij zuchtte. ‘We hebben er een puinhoop van gemaakt, zoveel is duidelijk. Mictlan wacht. Er is voor ons geen andere bestemming, geen zachter lot gereserveerd… Xolotl wenkt.’
Mijn adem stokte. Ook aan mij had de vervloekte god zich laten zien. Mijn geestesoog zou zich hierin nimmer vergissen. In zijn onderwatervorm toonde hij zich en er was geen ruimte voor verwarring, geen twijfel in mijn hoofd. De dood wachtte ons en daarmee Mictlan, de onderwereld waarin wij jaar na jaar – vier maal opnieuw – tot het uiterste zouden worden gedreven. De gruwelijkheden die we zouden moeten ondergaan… Ik huiverde, maar de realiteit viel uiteen en mijn visioen herrees. De visachtige salamander liet zich opnieuw zien. Ik sloot mijn ogen en alle rumoer vervaagde. De chaos verging. Alleen de stille duisternis bleef achter. De ongekend zwarte onderwaterwereld waarmee de axolotl zo onlosmakelijk verbonden is, als een gevangene, een eeuwige drenkeling: machteloos dobberend, nooit volkomen volwassen. Nooit in staat het water te ontgroeien.
Een uitstekende schuilplaats, dat wel. Dat had Xolotl goed gezien. Bovendien stond er een bizar voordeel tegenover de vele tekortkomingen van het eigenaardige diertje: ongelooflijke helingskracht. Opnieuw aangroeiende ledematen, organen die na schade herstellen. Het deed me denken aan Tlazolteotl, de godin die vuil eet… transformeert. Zij die zonden uitwist, reinigt wat onrein is… wat schaadt.
Ik slaakte een kreet en opende mijn ogen.
‘Vernieuwing!’ riep ik, maar Izek zat niet langer naast me.
Zola wel. Mijn hart bonsde hevig, maar tijd om daarbij stil te staan was er niet.
‘Izek?’ vroeg ik.
Ze keek me vragend aan.
‘Izek! Waar is Izek?’
‘Daar.’ Ze wees naar de plek waar de laatste restjes daglicht binnenvielen. ‘Met Eru.’
Ik haastte me naar buiten, zigzaggend door de overweldigende kluwen van angstig opeengedrukte mensenlijven.
‘Izek?’ riep ik terwijl ik de naderende bliksemschichten in me opnam. ‘Izek!’
Een meter of zes was hij van me verwijderd, en keek geschrokken over zijn schouder bij het horen van mijn stem. Zijn broer niet, die bleef vele meters verderop staan en niet omdat hij daarvan de noodzaak inzag. Woest keek hij me aan, maar ik zag niets dan het onmiskenbare inzicht dat alles veranderde.
‘Vernieuwing, Izek!’
Ik rende naar hem toe, druk gebarend, compleet in vervoering door mijn visioen.
‘We hebben er een puinhoop van gemaakt, Izek! Je hebt gelijk,’ riep ik uit. ‘We richtten schade aan, tot diep – diep! – in moeder aarde. De goden zijn woest, en terecht, maar ik denk niet dat Xolotl zich liet zien omdat de dood nabij is.’
Eru veerde van zijn linker- op zijn rechtervoet en terug, was zichtbaar in paniek.
‘We moeten gaan,’ zei hij mat, terwijl hij Izek kort doch dwingend aantikte.
Mijn goede vriend op zijn beurt, keek onderzoekend naar zijn broer en toen naar mij, toen weer naar Eru en opnieuw naar mij.
‘Wat als we nog een kans hebben?’ riep ik uit, terwijl grote hagelstenen ter aarde stortten en de wind ze gevaarlijk in het rond wierp.
Een pijnscheut trok door mijn lichaam en we doken alle drie ineen. Mijn lichaam was door en door koud. Pijnlijk koud. Doorweekt tot in elke vezel.
‘Wat als het een niet te negeren symbool is!’ riep ik desondanks, harder nu, ‘voor de vernieuwing die noodzakelijk is als we willen overleven?’
‘Izek, dwaas,’ beet Eru hem toe. ‘Sterf hier als je wilt. Ik niet. vergeef me. Ik niet,’ zei hij, waarna hij zijn priemende blik wegnam en door de hagelstenen deken de verte tegemoet rende.
Izek volgde niet. Hij stond als bevroren tegenover me. Rillend kwam ik overeind.
‘De waterslaaf heelt zichzelf!’ riep ik met een triomfantelijke grijns op mijn door pijn verkrampte gezicht. ‘Heelt zichzelf, Izek! En Xolotl… Xolotl werd een waterslaaf om zijn ondergang te voorkomen. Hij bleef in leven, zie je? Dit alles zegt niet “dood”, Izek, het zegt transformatie. Noodzakelijke verandering om te kunnen voortbestaan. Nieuw leven, Izek.’
Ik hief mijn kin op naar de wolken. ‘Nieuw leven!’
Izek knikte één, twee, drie keer. Zichtbaar beduusd.
‘Axolotl…’ fluisterde hij. ‘Krijg nou wat…’
Hij lachte, mijn vriend. Hij lachte, vol overgave. Uitgeput bleven we staan, onbeschermd en onbewogen, en Tlaloc kwam tot rust, uiteindelijk… en met hem Teotihuacán.