Wie, Wat, Waar

In het grote bos aan de rand van het dorp, woonde een jongen die Wie heette. Nu zul je denken: wie heet er nu Wie? Inderdaad, het was een nogal eigenaardige naam. Bovendien zorgde het regelmatig voor verwarring.
‘Lola, heb jij Wie gezien?’
‘Wie?’
‘Ja!’
‘Wie bedoel je?’
‘Wie!’
Tja, je begrijpt dat er nogal wat tijd overheen ging eer Wie gevonden werd. Zijn achternaam was te moeilijk om uit te spreken en daarom heette Wie gewoon Wie. Zelf was hij niet blij met die aparte naam, hoewel zijn ouders hem vaak vertelden hoe gelukkig hij mocht zijn met zo’n bijzondere naam.
‘Iedereen heet gewoon Michael of Pim of Joris…’
‘Of Wim, Matthijs, Jan, Rob of Hans,’ vulde moeder aan.
Vader knipoogde eigenwijs naar Wie, alsof ze samen een groot geheim deelden. Wie was het daar niet zo mee eens en bovendien viel hij veel liever wat minder op.
‘Het is wel een bijzondere naam, maar ik hoef helemaal niet zo bijzonder te zijn.’
‘Dat ben je toch al, jongen,’ zei vader opgewekt.
‘Voor ons ben je de meest bijzondere jongen op de wereld. En een bijzondere jongen verdient een bijzondere naam, vind je ook niet?’
Wie knikte, maar hij voelde dat nog altijd niet zo.
‘Er komt een dag, jongen, dan zul je blij zijn met zo’n mooie naam. Geloof me maar.’
Vader knipoogde nogmaals, terwijl moeder opstond om de tafel af te ruimen. Wie ging ook van tafel. Hij sliep al vroeg, maar werd vaak wakker van enge dromen. Het was ook allemaal nieuw. Het dorp, de mensen, het huis en de school. Hij kende nog bijna niemand, en je kunt vast wel raden hoe de mensen reageerden op zijn naam. De volgende dag zou echter toch een verrassing brengen, maar dat wist Wie nog niet.
Op school hadden ze pauze; een kwartier waarin ze buiten mochten spelen en gewoon even helemaal niets hoefden te doen. Wie zat op een van de houten bankjes en at een boterham. Een meisje met een klein brilletje kwam naast hem zitten. Ze had lichtbruin haar en aardige ogen. Ze lachte.
‘Hoi, ik ben Pien.’
Aarzelend keek ze Wie aan.
‘Wie,’ mompelde Wie ongemakkelijk.
‘Pien.’
‘Nee… ík heet Wie, bedoel ik..’
Hij knikte. ‘Kom op, lach maar…’
‘Lachen?’
Pien keek Wie vragend aan. Hij haalde zijn schouders op.
‘O…’
Wie grinnikte en ook Pien kon haar lach niet meer inhouden. De spanning was verbroken en samen zaten ze rustig op het houten bankje, tot de bel ging. Veel kinderen uit de klas vonden zijn naam nog altijd stom, maar Pien vond dat niet. Dat hielp toch. Wie wist dat er altijd iemand was die er anders over dacht en dat was toch fijn.
Ook al was het erg wennen in een nieuwe omgeving, Wie begon zich er toch al snel thuis te voelen. Vader had trouwens gelijk gehad, want de andere jongens heetten allemaal Michael, Rob, Joris of Matthijs. Eén jongen niet. Hij heette Wiep en dat was ook een aparte naam. Wie en Wiep werden al snel vrienden en samen met Pien brachten ze vele pauzes door. Soms speelden ze ook buiten, na schooltijd. En op een goede dag verzonnen ze iets geniaals. Wiep noemde zichzelf Wat en Pien noemde zichzelf Waar. Zo werden ze samen Wie, Wat en Waar.